12-09-2017

'Ik heb mijn ouders gehaat'

Jacques Vermeulen groeit op in een gezin met veel geweld. Hij wordt mishandeld door zijn ouders. Zijn hele leven is hij op zoek naar bevestiging en liefde. Na een leven vol bitterheid en gebrokenheid, ontvangt hij genezing van God.

‘Er was zoveel geweld bij ons thuis, dat was verschrikkelijk. Een herinnering die mij altijd is bijgebleven, is het moment dat ik door mijn vader in elkaar werd geslagen. Ik werd aan mijn haren over het tapijt getrokken. Als ik eraan terugdenk, ruik ik de geur van het tapijt nog steeds. En terwijl ik door de kamer werd gesleept, zei mijn vader: “Je huilt niet en als je huilt, krijg je nog meer klappen.” Ik hield dan mijn adem in, zodat ik niet zou huilen. En als ik dan toch huilde, stond mijn moeder ernaast. Zij zei dan: “Dan gaat hij nog huilen ook, de idioot.”

Door mijn thuissituatie ben ik mijn hele leven lang op zoek geweest naar waardering en liefde. Mijn ouders hebben nooit tegen mij gezegd dat ze van mij houden of trots op mij zijn. Deze waardering geven zij nog steeds niet. Als kind zocht ik deze liefde en waardering in mijn eigen fantasieën. Eén fantasie was dat op een dag mijn ‘echte ouders’ mij zouden ophalen. Ze zouden dan zeggen dat ze van mij hielden en dat ik er mag zijn. In mijn fantasie bakte mijn moeder dan koekjes. Dit was natuurlijk een leugen, maar op deze manier bleef ik wel overeind. Zonder deze escape route was het onmogelijk om staande te blijven.

In mijn jeugd had mijn moeder de ziekelijk neiging om mij als meisje aan te kleden. Ik droeg dan een hoog strak broekje en een shirtje met pofmouwtjes. Op school werd ik hierdoor vreselijk gepest en riepen zij mij na: “Jacquelientje, Jacquelientje.” Toen is het in mijn hoofd gaan zitten dat als ik een meisje was geweest, dit allemaal niet gebeurd zou zijn. Dat was een reële gedachte voor mij. Die gedachte heeft zich meer en meer ontwikkeld. Op mijn negentiende las ik een artikel van iemand die een geslachtsverandering had ondergaan en nu heel gelukkig was. Dat alles bij elkaar heeft ervoor gezorgd dat ik een half jaar als vrouw heb geleefd. Maar de pijn bleef mij achtervolgen en daarmee ook mijn zoektocht naar waardering en liefde. Ik kreeg nachtmerries en herbelevingen van wat er vroeger allemaal is gebeurd. Ik bleef maar vluchten en nieuwe vluchtroutes bedenken om de pijn niet hoeven voelen.

Erbij willen horen, is een soort rode lijn door mijn leven. Die zoektocht naar liefde heeft zich op een gegeven moment geuit op een hele vreemde manier. In seks. Met mannen. Ik was geen homo maar ik kwam in die wereld terecht. Tegelijkertijd zocht ik in al die mannen een vaderfiguur. Maar ook daar heb ik de waardering en liefde niet gevonden.

Gedurende de weg die ik liep, werden de haat en bitterheid jegens mijn ouders en de wereld steeds groter. Ik werd steeds kwader en sarcastischer. Ik haatte mezelf. Om wie ik was en om wat ik gedaan had. Ik was gebroken.

Vergeving en genezing

Ik belandde in de gevangenis. De reden hiervoor is teveel om nu te vertellen. Daar ben ik tot geloof gekomen. Maar toen was het nog niet voorbij. Alle bitterheid en gebrokenheid zaten nog in mij. En als christenen dan fouten maakten, nam ik ze dat enorm kwalijk en kwam dat bovenop mijn bitterheid. Dat werd van kwaad tot erger. Tot ik niks meer met christenen te maken wilde hebben.

Ik leefde verder en was inmiddels getrouwd. Tegen mijn toenmalige vrouw vertelde ik dat zij het moment niet meer zou meemaken dat ik ooit nog een kerk zou binnenstappen. Het gebeurde wel eens dat ik tijdens het werk het lied “Welk een Vriend is onze Jezus” neuriede. Dat maakte mij zo ontzettend kwaad! Dan schreeuwde ik het uit: “Ga weg!”

Doordat ik niet eerlijk was, zijn we op een gegeven moment ons huis kwijtgeraakt en kwamen we op straat te staan. Toen ben ik ingestort. In het psychiatrisch ziekenhuis is geconstateerd dat ik een posttraumatische stressstoornis heb. Omdat er geen plek was in het traumacentrum, ben ik verhuisd naar een huisje in Steggerda.

Op een nacht had ik al mijn medicijnen voor me staan en een glas water. Ik wilde dood. Maar toen heb ik iets gedaan wat ik niet kan verklaren. Ik ben gaan bidden. Ik heb toen gezegd: “Here Jezus, ik red het niet. Als U mij nog steeds wil, hier ben ik. Vergeef mij.” Het was een lang gebed, maar ik beleed dat ik een probleem heb en vergeving nodig heb. Ik zei: “Ik moet vergeven maar ik kan het niet. Alles doet zo pijn. Maar ik wil het wel, wilt U mij helpen?” Toen heb ik mijn ouders vergeven en alle mensen opgenoemd die ik moest vergeven. De dagen daarna heb ik mensen gebeld en brieven geschreven en hen gevraagd om vergeving. Ondertussen zong en floot ik het lied: “Welk een Vriend is onze Jezus.” Uit volle borst.

Nu weet ik dat ik vrij ben. De last is van mijn schouders. Natuurlijk blijven de herinneringen. Maar die belasten mij niet meer. Toen ik kon vergeven, is de ommekeer gekomen. Dat kon ik niet uit mezelf, dat komt echt van God. Als ik terugkijk naar mij jeugd, weet ik dat God erbij was. Hij heeft het gezien en de pijn gevoeld. Misschien heeft de hele situatie Hem wel veel pijn gedaan. Ik denk het wel. Hij heeft veel verdriet dat ouders dit hun kinderen aandoen en dat mensen elkaar pijn doen. Hij wil het zo graag anders.

Ondanks het feit dat ik mijn ouders gehaat heb, heb ik ze nu lief. Dat betekent niet dat we een geweldige relatie hebben. Maar ik heb ze vergeven en ik kan zeggen dat ik van ze hou.’ 

Jacques Vermeulen heeft zijn verhaal op papier gezet. Een verhaal van diepe wanhoop en verdriet. Een zoektocht naar geborgenheid en acceptatie. Het verhaal is opgeschreven in het boek: ‘Als het leven soms pijn doet’ met een voorwoord van Elly Zuiderveld-Nieman - Uitgeverij Eigen Boek B.V.
ISBN: 978-94-6129-199-8

Bron: de Oogst september 2017

 

Cookies helpen om u een betere gebruikerservaring te bieden. Door gebruik te maken van onze website, gaat u akkoord met ons gebruik van cookies. OK Meer informatie