[1]
Het Nederlandsche Baptisme is een plant van eigen bodem. Het schoot op uit
de dorre aarde van liet geestelijk-arme Drenthe. Als een nietig
heidestruikje scheen het bestemd spoedig te verdwijnen. Doch het dreef
telkens nieuwe loten uit en besloeg niet onnut de aarde. Het werd door
stormvlagen geteisterd, door Oosten- en Westenwinden gebogen, door
innerlijke tweespalt uiteengereten, maar aan zijn Nederlandschen
oorsprong, aan zijn eigen aard en wezen bleef het getrouw. Het brak zich
baan in het gemoed van een man, die de onpersoonlijkheid en
plichtmatigheid der volksreligie moede, met hartstocht een vrije, zuivere
gemeente zocht, naar apostolisch ideaal, rijk aan persoonlijk geloof en
broederlijken gemeenschapszin. Deze man was Dr. Johannes Elias Feisser te
Gasselter-Nijveen, wiens levensgeschiedenis de eerste bladzijde vormt der
historie van het Nederlandsche Baptisme. [2] Johannes Elias, ziedaar namen die met profetischen klank reeds riepen naar den toekomstigen prediker. En toch, hadden afkomst en familietraditie den doorslag gegeven, hoe geheel anders zou zijn weg zijn geweest. Zijn
grootvader,[2]
naar wien hij genoemd werd, diende lange jaren in den krijg, streed in de
vernederende oorlogen der zieltogende Republiek, nam als
kapitein-kwartiermeester deel aan het beleg van Maastricht (1794) en sleet
zijn laatste levensdagen te Solwerd aan den gemoedelijken Fivelzoom, waar
hij 28 Sept. 1813 overleed. Zijn
vader[3]
was ook militair. Als jong vaandrig maakte hij ook het beleg van
Maastricht mee en schreef er een dagverhaal van. Hij huwde in 1805 met
Anna Maria Bouer te Winsum in de Ommelanden, die hem aldaar haar
eersteling, Johannes Elias schonk (10 Dec. 1805). Twee jaar later werd hij
tot rijksontvanger benoemd te Veendam, waar hij nog ongeveer dertig jaar
werkzaam bleef. In
deze veenkolonie, destijds het bloeiende middelpunt van een streek, die
tot nieuw, maatschappelijk leven ontwaakte, heeft de knaap zijn jeugd en
jongelingsjaren doorgebracht. Deze omgeving heeft een stempel op hem
gedrukt en steeds die aantrekkingskracht op hem uitgeoefend, waardoor
onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn geworden: de Veenkoloniën,
Feisser en het Baptisme. De
wereld- en levensbeschouwing der ouders was die der gezeten burgerij van
die dagen. Zij gingen volgens den goeden toon naar kerk, deden ijverig hun
plicht en smaakten de geneugten des levens, door geen “preciesheid”
aan ban-[3]-den gelegd.[4]
Zij stelden carrière en fortuin hoog en zouden een lievelingswensch
vervuld hebben gezien, zoo hun oudste zoon den militairen stand gekozen
had. Doch een godvruchtige grootmoeder,[5]
voor het vensterraam gezeten met het jongske aan haar schoot, liet haar
stillen invloed gelden. Zij ontsloot voor den knaap de wereld der Heilige
Schrift en strooide zaden in het hart, die nimmer zouden sterven. Op haar
verzoek werd hij tot predikant opgeleid. Na het voorbereidend onderwijs te
Veendam genoten te hebben werd hij 16 Mei 1823 als theologisch student te
Groningen ingeschreven. Hij wierp zich met ijver op de litterarische en
theologische studiën, zoodat hij elk jaar voor de groote vacantie met
goed gevolg examen deed en onder alles nog tijd vond een prijsvraag[6]
te beantwoorden, waarvoor hij den gouden eerepenning verwierf. Na het
proponentsexamen te hebben afgelegd voor het Provinciaal Kerkbestuur van
Friesland (3 Mei 1827), bezocht hij nog gedurende een jaar de Leidsche
hoogeschool. Hadden vooral de Nieuw Testamentische studiën zijn
voorliefde gekregen, onder invloed van zijn leermeester Dr. Th.A. Clarisse
te Groningen, won de kerkgeschiedenis zijn hart, zoodat hij op dat terrein
het onderwerp voor zijn proefschrift koos. Den 21sten Juni 1828, des
morgens te elf uren verdedigde hij in de litterarische gehoorzaal zijn
proefschrift “de Vita Basilii Magni, Caesareae in Cappadocia Episcopi”,[7]
waarop hij het doctoraat in de theologie verwierf. Inmiddels had hij het
beroep aangenomen naar het stille Lekkum en Miedum aan de Dokkumer Ee. Hij
bleef er drie jaar en mocht kort voor zijn vertrek een blijde
levensgezellin, van aanzienlijken huize, de [4] jeugdige
Geertruide Elisabeth Barbara Orck, baronesse van Heeckeren, de landelijke
pastorie binnenleiden. Hij was niet ontbloot van redenaarstalenten, zoodat
veler oogen op hem gevestigd waren. Toen Winschoten hem tot voorganger
begeerde nam hij dit beroep aan. Daar schreef hij zijn “Jezus Christus
of Lotgevallen en Lessen van den Zaligmaker der menschheid”,[8] dat hij uitgaf “tot verspreiding van zuivere
Evangeliekennis en ware lust tot Christelijke deugd”. Dit boekje ademt
een oprechten geest. Alle zucht om met geleerdheid te pronken is verre.[9]
Een redelijk Christendom met de leer en het voorbeeld van Christus in het
midden wordt hier voorgestaan. Jezus is gezonden om de verloren geraakte
Wijsheid terug te brengen en te vermeerderen. Het geloof is bovenal een
gehoorzamen aan de geboden des Heeren.[10]
Echte religieuze waarheid is die, welke men doet. Een zeker streven om
verlicht te zijn valt verder in dit geschrift niet te miskennen en uit
zich in een krasse verwerping van een geloof aan Satan.[11] Een
beroep naar Franeker, het Friesche Athene, moet voor hem, man van studie
met vreugde zijn begroet. Het Athenaeum bestond nog, al was de oude
luister verdwenen. [5]
Omgang met mannen van wetenschap, verkeer in een geletterden kring stond
daar voor hem open.[12]
Hij gaf aan die roepstem, bij loting uitgebracht, gehoor en 9 Juni 1833
werd hij door zijn ambtgenoot L.W. de Grient Dreux in den dienst dezer
gemeente ingeleid. Geëerd om zijne uitstekende talenten, bij de eerste
familiën een steeds welkome verschijning, moest hij nochtans een diepen
lijdensweg door. Zijn lichaamsgestel, tegen het ruwe zeeklimaat niet
bestand, kwijnde. Twee zijner kinderen, pas ontloken knoppen, werden hem
door den dood ontrukt, weldra gevolgd door de moeder, nog geen vier en
twintig jaar oud. Eindelijk werd zijn rechteroog door een hevige
ontsteking bijna geheel verduisterd.[13] Naar
lichaam en ziel geknakt legde hij tijdelijk zijn dienstwerk neer.[14]
De lijdenskelk werd echter geheiligd aan het hart, dat zich nu boog om te
drinken uit de stroomen des levenden waters. In de rust der ouderlijke
woning te Veendam ontving hij den eersten stoot tot het proces der
bekeering, dat zich nu verder geleidelijk voltrok. Door de diepten des
lijdens heen leerde hij beter kennen de echtheid der
goddelijke dingen, wendde hij zich meer tot hetgeen [6]
niet van deze wereld is, werd hem — om zijn eigen woorden te gebruiken
— “de waarheid des Woords dierbaar aan het hart gelegd”. Een en
ander wekte bij hem nieuwe, sterke inzichten en gevoelens, bovenal een
nooit gekende zielevrede, die zelfs weldadig op zijn lichaam inwerkte,
zoodat hij na een halfjaar weer zijn ambt kon aanvaarden. Toch
kwam het bij hem nog niet tot een breuk met de theologie van zijn dagen.
Wel besefte hij dieper het uitnemend gewicht van zijn ambt en de groote
verantwoordelijkheid, die het met zich bracht. En dat schonk aan zijn
leven nieuwe bezieling en inhoud. Met de levendige begeerte om mede te
werken aan de komst van het Koninkrijk Gods, werd hij dan ook Zondagmorgen
3 Maart 1839 in zijn vierde gemeente Gasselter-Nijveen door den vertrokken
predikant H.K. Roessingh te Haren bevestigd met een leerrede over Titus
2:1 “doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.” De bevestigde
hield des namiddags zijn intreerede over Matth. 13:18 “Gij dan hoort de
gelijkenis van den zaaier.”[15]
Roessingh gaf hem aangaande de gemeente het getuigenis: “er wonen vele
goedaardige menschen, doch er is geen geestelijk leven.”[16]
Zelf verklaarde hij na eenige jaren van getrouwen arbeid: “er is
veel gedaante van godzaligheid.”[17] Vriendelijkheid
en achting werden hem te Gasselter-Nijveen niet onthouden. De nieuwe klank
van het persoonlijk geloof maakte zijn prediking levenwekkend. Het
bedehuis kon de saamgestroomde schare nauwelijks bevatten. De zitplaatsen
werden hoog verhuurd, de jaarlijksche inkomsten der diakonie verdubbeld[18],
de catechisatiën tot in den zomer toe druk bezocht, de kinderen op tijd
gedoopt, de jongelingschap geregeld, ongeveer twintig jaar oud, als
lidmaat [7] bevestigd, het avondmaal door 100 á 150 leden
gevierd. Uitwendig leek dit schoon, maar toch moest Feisser's hart er
dikwijls bij schreien. “Wanneer iemand” — schrijft hij — wat
dieper doordrong met zijne blikken, wanneer iemand zich met de zoogenaamde
leden der gemeente in gesprek begaf over het ware leven der ziele; wanneer
men zelfs maar over den inhoud van eene gehoudene leerrede wilde handelen,
o! wat zag men zich dan jammerlijk teleurgesteld. Het was meest alles
doode sleur en gewoontewerk. Ik stond verbaasd en verslagen, toen ik na
een jaar werken en beproeven, met vrij volle overtuiging gewaar werd, dat
er zich hier geen vijf ware Christenen bevonden, en geen tien zelfs die
met den rechten weg des heils bekend waren. En dat onder klein twee
honderd lidmaten.”[19] Dit
smartte hem diep, maar het vuurde zijn ijver aan. Vooral wijdde hij zich
aan de onderwijzing der jeugd in de Heilige Schrift. De vrucht bleef niet
achterwege. Na twee jaren had hij de voldoening, dat onder het jonge
geslacht de prediking ingang vond. Welk een oorzaak van vreugde dit voor
hem was, kan men eerst dan verstaan, wanneer men weet dat Feisser een
hartgrondigen afkeer had van een klakkeloos overnemen van de dingen. De
vruchten moesten niet aan den boom gebonden, maar door eigen innerlijke
groeikracht daaruit gedreven worden. Door eigen inzicht moest het komen
tot overtuiging en daarnaar gehandeld worden. Hij haatte alle
onwaarachtigheid. “Spreek alzoo en doe alzoo” placht hij te zeggen.
Dit stalende en sterkende beginsel, waaruit hij leefde, begon door te
werken bij de jongeren, die nu vele ouderen voorbijstreefden en daardoor
wel eens ergernis bij hen wekten. Feisser liet hen echter niet aan zich
zelven over. Hij noodigde elk die tijd en lust vond om aan de pastorie te
komen, waar dan de hoofdwaarheden der Christelijke belijdenis werden
besproken. Een kleine kring gaf aan dien oproep gehoor en lieflijke [8]
banden des geloofs en der liefde werden gevlochten. Anderen zagen dit met
leede enigen aan en mompelden dat het op “Cocksianerij” begon te
gelijken.[20] Ook verspreidde hij wel stichtelijke lectuur tot
opscherping van de kennis der Waarheid. Om nog meerderen ook buiten de
gemeente te bereiken, schreef hij het stichtelijk tractaat “Het eene en
altoos noodige.”[21]
“Wij gelooven en daarom spreken wij”, luidt het in de voorrede;
“door eigene levenservaring op den weg tot een nuttig leven voor
anderen, en tot eene gelukkige gemoedsgesteldheid voor mijzelven geleid,
drong mij de zucht om het middel, waardoor zich dat een en ander bij mij
is begonnen te ontwikkelen ook aan anderen aan te prijzen, in de hoop, dat
de zegen des Heeren die poging niet geheel onvruchtbaar late.” De
gedachtenwereld van Paulus was blijkens dit geschrift nog niet de zijne:
mitsdien stond hij nog op een afstand van de kerkelijke orthodoxie. Een
enkele aanhaling kan hier volstaan. “De mensch” verklaart hij, “die
heden ten dage van God door middel van ouders geschapen wordt, zal wel
niet verschillen van den eersten mensch, die zonder middel van ouders tot
het aanzijn geroepen is.”[22]
Het in 1837 aangevangen godgeleerd tijdschrift der Groninger school
“Waarheid en Liefde” werd door hem dan ook met instemming vermeld.
Twee jaar later heeft hij dit tractaat openlijk met alles wat hij “tegen
de waarheid gesproken of geschreven” had, herroepen, God biddende,
“dat Hij het voor anderen onschadelijk make en (hem vergeve.”[23] Den
beslissenden stoot tot dien omkeer ontving hij in den herfst van 1841,
waarschijnlijk door het lezen van Newton's [9] “Cardiphonia”[24],
een boek dat in die dagen in breeden kring zeer geliefd en op veler
geestelijk leven van beslissenden invloed was. Alles wat hij tot dusverre
aan zijn ziel had doorleefd, beschouwde hij nu als de voorbereidende
genade van den grooten Herder en Opziener der zielen. Nu werd alle steunen
op het schepsel en zijn wijsheid bij hem verbroken en trad het rijke leven
bij genade alleen in. Nu zag hij alle dingen door andere oogen. Nu heette
het van den mensch: “geen goeds woont in hem; zijn natuur is een vat vol
zonde, een papier gansch bemorst en beklad door den Vorst der duisternis,
vijandig tegen God en levendig werkzaam om het goddelijke uit te roeien en
te weerstaan, zoolang hij maar kan.”[25]
Nu was hem de Groninger theologie “een weer opwarmen van duizend en
één dwalingen.” Nu zag hij een scherpe grenslijn getrokken door de
menschen-wereld: “eenerzijds, de uitverkorenen, welken de genade der
bekeering is gegeven, anderzijds, de verblinden en verharden die der
waarheid ongehoorzaam zijn, waartoe zij ook gezet zijn.” Nu predikte hij
met forschen metaalklank: de onmacht der menschen om eenige ziel te
bekeeren, de souvereiniteit Gods in het gansche werk der zaligheid, het
absolute onderscheid tusschen den naamchristen en den geloovige, tusschen
bekeerd en onbekeerd. Dat dit op een botsing moest uitloopen met het
aloude Drentsche dorpscommunisme ligt voor de hand. Zoolang het echter bij
preeken bleef, kon men het nog verdragen, en zag men om de sympathieke
persoonlijkheid van den prediker veel over het hoofd. Maar toen hij
metterdaad aanstuurde op de vor-[10]-ming van een zuivere
gemeente en daartoe in de eerste plaats den kerkeraad van “doode
leden” wilde zuiveren barstte het smeulend vuur van wrevel moed los.[26] Zaterdagmiddag
27 November 1842 was de kerkeraad der Nederlandsen Hervormde Gemeente te
Gasselter-Nijveen bijeen ter benoeming van een paar kerkeraadsleden.
Volgens oude zede stelde de aftredende ouderling zijn opvolger voor, die
dan ook meestal gekozen werd. Dit was nu ook het geval. Hendrik Luis,die
aftrad, wenschte in zijn plaats te zien Hendrik Theeuwes en met dezen
werden op de nominatie geplaatst, Jan Thijssens, Klaas Kars en Hendrik
Reiling. Feisser echter had niet den eerstgenoemden, dien hij onbekwaam
achtte “als niet bezittende de kenmerken der genade”, maar den
laatstgenoemden op het oog, dien hij kende als een godvruchtig belijder
des Heeren. Doch hoe warm hij Reiling ook mocht aanbevelen, de kerkeraad
koos Hendrik Theeuwes. Verontwaardigd en met het hart vol droefheid begaf
Feisser na afloop der vergadering zich naar een godvruchtig huisgezin, dat
hem zeer lief was, en stortte daar zijn gemoed uit. Midden in het gesprek
trad iemand binnen, “van wien men nog al wat goeds meende te
verwachten”, zoodat men ongedwongen doorpraatte. Feisser kwam er
onomwonden voor uit: “de benoeming doet mij leed, ik zal pogingen
aanwenden om Hendrik Theeuwes tot bedanken te bewegen.” Den volgenden
morgen begaf hij zich tot den benoemde en legde hem het ambt van ouderling
zoo zwaar op het hart, dat deze verklaarde: “ik wil gaarne van de zaak
ontslagen zijn, als het zonder moeite of kosten kan geschieden.”[27]
Feisser stelde hem gerust en [11]
deed
de belofte dat binnen enkele dagen een nieuwe keuze zou gedaan worden.
Eenige oogenblikken later echter vertelde de zoon van Theeuwes aan zijn
vader: “ik heb gehoord dat dominé u onwaardig keurt en u niet wil
hebben als ouderling.” Wat was geschied? De persoon, die den vorigen
avond bij het intieme gesprek tegenwoordig was geweest, had uit de school
geklapt. En nu voelde Hendrik Theeuwes zich zoo beleedigd, dat hij
terstond ouderling H. Bakker het bericht zond: “ik bedank niet, maar wil
ouderling zijn.” Vrijdag
3 December kwam de kerkeraad bijeen om tot een nieuwe benoeming over te
gaan, maar hoe verbaasd zag de voorzitter op, toen het bericht werd
voorgelezen, dat Hendrik Theeuwes niet had bedankt. Om zekerheid te
hebben, begaf zich de kerkeraad naar zijn huis, waar een heftig tooneel
voorviel. Feisser werd met smaadwoorden overladen en men weigerde hem bij
het heengaan de hand te geven. Tot driemaal toe trachtte hij daarna
Hendrik Theeuwes nog van zijn onbetamelijk gedrag te overtuigen en tot
berouw te bewegen, maar het was alles tevergeefs. Toen deze ten laatste
toch nog bedankte, moest er andermaal een keuze gedaan worden. De leeraar
bond den kerkeraad nogmaals op het hart om “een waarheidminnend en
godzalig man” te benoemen. “Doet gij dat niet”, zoo vermaande hij,
“dan weiger ik den gekozene te bevestigen.” “Dan
is het 't best”, antwoordde ouderling Bakker, “om den aftredende te
laten aanblijven, dat geeft althans de minste ergernis.” Feisser
hernam: “ik wil gaarne iets doen voor het welzijn en den vrede der
gemeente, daarom zal ik in uw voorslag berusten, doch onder één beding:
Hendrik Luis, die met zijn nominatie aanleiding heeft gegeven tot allerlei
onaangenaamheden, moet daarover zijn leedwezen betuigen en beloven als een
getrouw opziener zijn plicht te zullen vervullen.” De kerkeraad en de
betrokken ouderling namen daarmede genoegen. Daarmede was de zaak
afgedaan. [12]
Er
lag echter nieuwe brandstof opgestapeld voor een tweede uitbarsting. Feisser
was secretaris van de plaatseljjke schoolcommissie. De schoolmeester van
het dorp A.J. Kamps miste de rechte bekwaamheid voor zijn taak. Telkens
vielen klachten over hem. En bij het klimmen der jaren werd het er niet
beter op. Tot overmaat van ramp kreeg zijn zoon, die de school er nog zoo
wat bovenop hield, een benoeming aan de nieuwe bijschool van den
Nieuwveenschenmond. Feisser deed al het mogelijke om betere
schooltoestanden in het leven te roepen, maar alles stuitte bij den
eigenzinnigen meester op onwil af. Toen de Provinciale Staten en het
Gemeentebestuur zich met de zaak inlieten, moest Feisser daarover rapport
uitbrengen. Hij verklaarde daarin, dat meester Kamps geen goed onderricht
gaf, dat er noodzakelijk een flinke adjunct-meester bij moest en dat de
nieuw benoemde ondermeester meer onafhankelijk van het hoofd der school
moest zijn. Toen hij begin Maart vóór de viering van het Heilig
Avondmaal huisbezoek bij den meester deed, schold deze hem voor een
lasteraar en leugenaar uit, die niet waardig was het Heilig Avondmaal te
gebruiken, veel minder te bedienen. Hij bracht dit in de
kerkeraadsvergadering bij de censura morum ter sprake en stelde voor
meester te vragen of hij berouw gevoelde over zijn onbetamelijke
uitdrukkingen. Deze toonde zich onverschillig, doch de censuur werd op hem
niet toegepast. Toen na de voorbereidingspredikatie de leeraar de gemeente
uitnoodigde om op te staan en de vragen te beantwoorden, stond ook de
meester op. Feisser dacht dat hij tot andere gedachten was gekomen, maar
na de middagpreek toonde hij zich nog even boosaardig. Onder
deze omstandigheden was het hem onmogelijk het Avondmaal te bedienen. Hij
schreef een naburigen collega om deze taak van hem over te nemen en zoo
bleef voor het oogenblik de zaak rusten. Nu
kwam echter van andere zijde een storm opsteken, n.l. van die der
kerkvoogden, [13]
Het
bedehuis werd van lieverlede te klein. Vooral des winters zochten velen
tevergeefs een zitplaats. Vergrooting was geen weelde en werd door een
groot deel der gemeente begeerd. De kerkvoogden hadden daarvoor geen ooren.
Feisser gaf hun meermalen onder vier oogen te kennen dat hij hun
nalatigheid baatzuchtig en bekrompen vond. Hij bood hun aan om alleen en
zonder iemand finantiëel te bezwaren, den verbouw voor zijn rekening te
nemen, hopende door verkoop van de nieuwe zitplaatsen de kosten te dekken.
Ook dit sloegen zij af. Wel zeiden zij een galerij te willen aanbrengen,
doch dit was een halve, onpractische maatregel. Eindelijk noodigde Feisser
hen uit tot een vriendschappelijke samenkomst met den kerkeraad om over de
zaak nog eens te spreken. Zij sloegen dit af met de ronde betuiging, dat
zij van zins waren nu niets aan de kerk te doen. Feisser verklaarde dien
onwil als tegen den geest des Heeren en zeide hun aan, dat “wanneer zij
daar geen berouw over gevoelden, zij geen gemeenschap met Jezus aan zijn
tafel mochten hebben.” Dit deed hen in woede ontsteken en zeggen, dat
zij zich om zijne vermaningen volstrekt niet bekreunden. In de
kerkeraadsvergadering voor het Avondmaal, Woensdag 17 Mei 1843, verlangde
Feisser dat aan Theeuwes en zijn beide zonen, aan meester A.J. Kamps, aan
H.B. Hoogenesch en Harm Salomons als kerkvoogden het H. Avondmaal zou
worden ontzegd, “wegens gebrek aan de rechte inzichten en gevoelens,
welke bij een waar Christen vereischt worden.” De kerkeraad kon daartoe
echter niet besluiten. Feisser bad hen nogmaals dringend “toch niet
roekeloos de dierbare teekenen en onderpanden van Gods genade in Christus
te laten verontreinigen en verzocht hun nogmaals hem te helpen in het
vermanen en bestraffen van zondaren, die hunne belijdenis en belofte zoo
weinig beleefden.' Na veel moeite gelukte het hem hun toezegging te
verkrijgen tot onderteekening van een schriftelijk stuk, dat hij in zachte
bewoordingen zou opstellen. Toen het hun evenwel den volgenden dag werd
aangeboden, weigerden zij het te teekenen. [14]
Intusschen
wilde hij nog een laatste poging doen om het Avondmaal te houden enkel met
hen, die “den Heer lief hadden en gehoorzaamden.” Hij hield een
ernstige voorbereidingspredikatie en schetste daarin de rechte kenmerken
van den waardigen Avondmaalsganger. Aan do uitnoodiging om aan den disch
plaats te nemen gaven slechts enkelen gehoor, waaronder ook Jan Theeuwes,
een van de censurabele leden. Feissor brak het brood en goot den wijn in
den beker, maar gaf ze niet rond. Hij zeide enkel: “degenen die
vrijmoedigheid hebben het te gebruiken, kunnen het nemen.” Daarop beklom
hij weer den kansel, las het slot van het formulier en ging na het
“Amen” met een gebroken hart naar zijn woning. Kort
daarop, Zondag 21 Mei 1843, had de invulling plaats van de lijsten der
schriftelijke kerkvisitatie. De kerkeraad beantwoordde eenparig de vragen
betreffende den predikant gunstig, maar deze achtte zich bezwaard te
verklaren, dat zij mede behulpzaam waren in het houden van opzicht over de
gemeente. In een noot riep hij de tusschenkomst van het Klassikaal Bestuur
in “om hem bij te staan in het opzicht over de gemeente naar Gods heilig
Woord en de regelen onzer Hervormde kerk, vermits de predikant zelf niet
gehoord, geloofd of gevolgd wordt.” Een
der kerkeraadsleden betuigde daarop: “ik heb spijt, dat ik uw persoon en
werk heb goedgekeurd.” Een ander hield hem voor: “gij moogt toch den
duivel niet langer dienen.” Toen Feisser hun schriftelijk vroeg 1e of
zij allen zoo over hem dachten, 2e' welke bewijzen zij hadden voor zulke
gezegden en hun tevens beloofde, dat hij zich bij gegronde beschuldiging
onder censuur zou stellen, terwijl hij, bij gebreke van dien, een
aanklacht tegen den lasteraar zou indienen bij het Klassikaal Bestuur,
ontving hij daarop geen antwoord. Den volgenden Zondag, verklaarde hij aan
den kerkeraad, dat hij hun de rechterhand der gemeenschap niet langer kon
geven, tenzij zij zich door Gods genade mochten veranderen. [15]
In deze donkere dagen kwam onder de bestaande wanverhoudingen de toestand
der kerk hem steeds onschriftuurlijker voor en werd in zijn ziel het
verlangen sterker naar een zuivere gemeente van geloovigen. Hij ontwierp
daarvan een beeld in de vergadering van den Ring Assen, gehouden te Assen
28 Juni 1843, waar hij in een lezing een antwoord gaf op de vraag: welk
begrip behooren wij ons te vormen van de gemeente des Heeren?[28] Daar
de toestand steeds meer gespannen werd, riep Feisser de tusschenkomst in
van het Klassikaal Bestuur. Den 18den Augustus verschenen Ds. W.I. van
Loenen te Anloo en Ds. H. Dorenbos te Hijkersmilde als gecommitteerden om
een buitengewone persoonlijke kerkvisitatie te houden. Feisser verlangde 1e
afzetting van de ouderlingen H. Bakker, H. Luis, en Salomon KI. Salomons;
2e hun censureering, totdat God hen tot bekeering zou geleid
hebben; 3e bevestiging
van de censuur der lidmaten, door hem als censurabel aangewezen; 4e
vrijstelling van de bediening des Doops en des H. Avondmaals tot den tijd
dat er een nieuwe kerkeraad zou geconstitueerd zijn, die hem behulpzaam
zou zijn in het beoordeelen der leden, in zoover n.l. de teekenen van het
Genadeverbond alleen voor geloovigen verordineerd zijn en voor de kinderen
der geloovigen.”[29]
De leden van het Klassikaal Bestuur drongen, eer zij tot nader
onderzoek overgingen, eerst op verzoening aan. Feisser was daartoe bereid,
mits de kerkeraad schuld beleed en beloofde voortaan in het ambt naar Gods
Woord getrouw te zullen handelen. Daar deze dit niet verkoos te doen,
gevoelde Feisser zich ook bezwaard “om den vrede te krijgen ten koste
van de waarheid en den Goddelijken wil,” Daarop
begon dan nu het onderzoek naar de bestaande geschillen. De kerkeraad
bracht het bezwaar in, dat de [16]
voorganger
te ver ging. Een der ouderlingen noemde het uit elkander rukken van
geloovigen en ongeloovigen een goddeloos stuk. Feisser
verzocht den gecommitteerden andermaal hem van de verplichting der
bediening van Doop en Avondmaal te ontslaan, tot een nieuwe kerkeraad was
geformeerd. Zij antwoordden, dat hun daartoe de bevoegdheid ontbrak, en
dat hij geroepen was volgens Schrift en Belijdenis om met het gebruik
dezer genademiddelen door te gaan. Feisser hernam: “ik zal het doen,
wanneer gij en de kerkeraad de verantwoording van die zaak voor God en
Jezus op u neemt,” Zij zeiden: “neen, gij zelf hebt de
verantwoordelijkheid daarvan te dragen.” Toen
verschenen ter vergadering de kerkvoogden H. Salomons en H.B. Hogenesch
benevens meester Kamps en Hendrik Theeuwes met zijn zoon, zich allen
beklagende, dat zij door den predikant waren verongelijkt wegens diens
afraden van het Heilig Avondmaal. Laatstgenoemden scholden hem zelfs voor
een lasteraar, daar hij de vorige leeraars Schotsman, Verweij en Roessingh
aangewreven zou hebben, dat zij de waarheid niet predikten.[30] Toen
de tijd van het herfstavondmaal aanbrak weigerde de kerkeraad, evenals
vroeger, tucht op de censurabele leden uit te oefenen. Feisser zeide:
“dan zullen wij het Avondmaal niet vieren.” Ouderling Luis liet daarop
volgen: “er is ook niet zooveel aan gelegen; een stellige plicht der
Christenen is het niet.” Feisser
gaf hiervan kennis aan het Klassikaal Bestuur en voegde daaraan het
volgende toe: “Vernemende
dat onze Hervormde kerk begeerd en ontvangen heeft, om alleen naar Gods
heilig Woord te gelooven en te handelen, zoo betuig, ik dat ik in mijn
geweten thans [17] bijzonder bezwaard ben in het stuk van
den doop der kleine kinderen. Ik verzoek derhalve daarvan vrijgelaten te
worden, totdat de Heer mij door een of ander middel van het geoorloofde
dezer zaak zal overtuigd hebben, waartoe ik ook de kerkelijke besturen
minzaam uitnoodig.” Tegelijkertijd gaf hij rekenschap van zijn gevoelens
in het vlugschrift “Waakt op!” waarin hij het volgende verhaalt:
“Van liever lede, van licht tot licht voortgeleid door Hem, Die mij uit
de duisternis getrokken en overgebracht heeft tot het Koninkrijk des Zoons
Zijner liefde, geloof ik thans tot den opbouw van dat Koninkrijk werkzaam
te moeten zijn; bevindende ik ook getuigenis van Gods genade in mij, dat
ik zelfs mijne ziel den Heer wensen over te geven, indien Hij haar van mij
mogt eischen, in Zijnen dienst en tot Zijne verheerlijking. Vroeger
wist ik niet beter: ik was onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei
begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende,
hatelijk en de anderen hatende. Bij dezen herroep ik dus plegtig alles wat
ik, in dien staat van mijne verblinde ziel, tegen de waarheid gesproken of
geschreven heb; terwijl ik God bidde, dat Hij het voor anderen
onschadelijk make en mij vergeve.”[31] Hij
ziet de kerk overgeleverd aan anarchie. Ook de Afscheiding, zonder
vastheid van beginsel en zonder éénheid, heeft geen toekomst. Hoewel een
vreedzaam leven hem toelacht, bindt hij den strijd aan om de gemeente te
ordenen, dat ze waarlijk het lichaam Christi zij. Dit is eenvoudig een
voortzetting van de Reformatie. Zegeviert echter de overste der macht des
luchts, dan wil hij geen oogenblik langer in de kerkgemeenschap blijven.
Het wezen der ware gemeente Gods beschrijft Paulus I Cor. 12:12—30. Zijn
pogen is de diepgezonken kerk tot dat ideaal op te heffen. De geloovigen
moeten zich aangorden om het lichaam des Heeren te zuiveren van het groot
getal naamchristenen. De deur [18] moet
niet te ver open. De poort is eng en de weg is smal. Liever honderd
moedige, geoefende krijgers dan tien duizend vreesachtige en ongeordende
soldaten. Bovenal hoede de gemeente zich voor leeraars die de kenmerken
der genade missen.[32] Zijn
gedachten over den doop zijn aldus: “Alleen geloovigen mogen gedoopt
worden. De kinderdoop is lang na de Apostolische tijden, tegen het bevel
des Heeren aan, in de kerk ingeslopen. Indien het Gode behagen mag,
wederom eene kerk tot stand te brengen, gefundeerd op den Heere Jezus en
de Apostelen, dan zal ook wel eene der eerste bepalingen bij die kerk
worden, dat men alleen de geloovigen doope. Men versta mij wel, niet de
volwassenen of bejaarden, omdat die zoo oud zijn of zooveel weten; maar de
geloovigen, die eerst van den Heer geroepen, en als zoodanig kenbaar
geworden zijn. De
doop der kinderen is, in betrekking tot kinderen, welke onbegenadigd in
hunne zonden blijven, eene misdaad tegen God, doordien men alsdan het
teeken van het genadeverbond aan dezulken geeft, met welke God zelve het
verbond niet toont aan te gaan. Terwijl het doopen van begenadigde
kinderen, op zijn zachtst genomen, een vooruitloopen van den Heer is, 't
welk ons, die van die begenadiging vóór het geloof en de bekeering geene
kennis kunnen dragen, geenszins betaamt of vrij staat. Op
den blooten waterdoop, voor zoo ver die in de plaats der besnijdenis, die
met handen geschiedt, in de plaats is gekomen, zoude men voegzaam de
woorden van den Apostel Paulus kunnen toepassen, I Cor. 7:19 en Rom.
2:25— 29. Voor de plegtigheid des tegenwoordigen kinderdoops konde men
dan in de plaats brengen het voorstellen aan den Heer naar Luk. 2:22—24
gepaard met de oplegging der handen naar Mark. 10:16.”[33] [19]
Toen hij deze gewetenskreet had geslaakt, werd hij van alle kanten
overstelpt met aanzoeken om zijn denkbeelden nog wat duidelijker en
krachtiger te ontwikkelen, daar het hier zulke diepingrijpende zaken gold.
Hij gaf toen in September 1843 uit zijn: “Beknopte Aanwijzing van het
ongeoorloofde in den doop der kleine kinderen”, waarin hij de
schriftuurlijke, de historische en kerkelijke bezwaren tegen den
kinderdoop opsomde en de voornaamste gronden welke daarvoor worden
aangevoerd, weerlegde.[34] Een
man van overtuiging als hij kon het natuurlijk niet bij schrijven laten.
De censuurkwestie had hem reeds doen kennen als een man van de daad. Zijn
leuze was: “spreek alzoo, doe alzoo.” Toen zich dan ook in den zomer
van 1843 ouders bij hem vervoegden om hunne kinderen te laten doopen,
maakte hij hun met zijne bezwaren bekend. Een beslissing van de hoogere
kerkbesturen zou misschien de zaak oplossen. Daarmede namen de ouders
voorloopig genoegen. Doch daar kwam Jan Theeuwes, dezelfde die tegen de
vermaning aan den Avondmaalsdisch had plaatsgenomen, en verlangde zijn
kind gedoopt te hebben. Feisser
vroeg hem: “Waarom is dit uw verlangen?” Hij
antwoordde: “Omdat het overal geschiedt en de zaak ook hier gebruikelijk
is.” “Kunt
gij de vragen van het doopsformulier wel naar waarheid beantwoorden ?” “Neen,
volstrekt niet.” “Acht
gij dan de doop van eênig belang voor de ziel van uw kind?” “Neen,
maar het zal toch gedoopt worden.” Met deze woorden vertrok hij. Twee
dagen later, 26 Sept. 1843 verschenen aan de pas-[20]-torie
twee ouderlingen met den vader van het kind, om den voorganger der
gemeente op te wekken tot de doopsbediening. Zij deden dit o.a. met de
woorden: “gij zijt onze knecht en wordt er voor beloond om ons werk te
doen.” Feisser bleef kalm en zeide: “ik ben geen knecht van menschen,
maar sta alleen in den dienst van God en de waarheid.” Zij overhandigden
hem toen een missive van het Klassikaal Bestuur, waarin de kerkeraad tot
eendracht en vrede vermaand, en de leeraar in het bijzonder opgewekt werd
om volgens zijn eens gedane belofte Doop en Avondmaal te bedienen. Na
lezing daarvan bood Feisser aan, gemeenschappelijk den brief te
beantwoorden. Dit weigerden zij, zeggende: “dat kunnen wij alleen wel
doen.” Feisser
schreef toen aan het Klassikaal Bestuur, dat hij bezwaar vond eene belofte
die hij in onwetendheid gedaan had en nu niet meer accoord niet Gods Woord
bevond, na te komen. Tevens legde hij er bij over eene schets van zijn
voornaamste gronden tegen den kinderdoop, met verzoek om ze aan de synode
of aan de academie ter toetsing op te zenden. De
beroering door dit alles in de gemeente teweeg gebracht was groot. De
hartstochten werden door eenige belhamels opgezweept, zoodat op een
Octoberavond de glazen in de pastorie werden ingegooid. Tot buiten de
grenzen van kerspel en provincie en vaderland drong het gerucht door van
den predikant die niet doopen wilde. Veler oogen waren op hem gericht. Op
zekeren dag kreeg hij bezoek van drie eerwaarde Bentheimer mannen uit het
dorp Velthuizen in hun volksaardige kleederdracht, die hem het beroep naar
hun gemeente aanboden met de bepaling dat hij als oudste predikant
vrijgesteld zou zijn van doop en avondmaalsbediening.[35]
Alle hinderpalen zouden dus zijn weggenomen. Doch hij zag er een
verzoeking Gods in en wenschte tot geen prijs in een [21]
scheeve positie te komen tegenover wat hij beleed als de Waarheid. Daarom,
hij bedankte. Ook
de Afgescheidenen hadden nog eenige hoop hem te winnen voor hun kerk. Hij
had zich anders verre van vriendelijk over hen uitgelaten. Zij zetten,
naar zijn overtuiging, hun deuren veel te wijd open.[36]
Maar zijn strijd tegen de volkskerk en haar besturen maakte hun sympathie
gaande. Toen Ds. Brummelkamp met een paar vrienden eens in de buurt was,
liet hij Feisser weten dat een onderhoud hem aangenaam zou zijn. Er had
dan ook een samenspreking plaats, maar al spoedig openbaarde zich
verscheidenheid des geestes, die samenwerking uitsloot. De Gereformeerde
broeders waren hem te schoolsch; “'t zat hun anderhalve voet te hoog”;
hij was hun te vrij en zijn doopsopvatting een onoverkomelijke hinderpaal.[37] Het
Klassikaal Bestuur scheen de zaak nog hoofdzakelijk te beschouwen als een
verschil tusschen leeraar en eenige kerkeraads- en gemeenteleden.[38]
Feisser wees er echter op dat het hier enkel gold de orde in de kerk, de
vraag: of men aan onkundige en onbekeerde menschen de teekenen (en
zegelen van Gods genadeverbond mocht uitreiken. De gemeente, het lichaam
van Christus, zuiver te bewaren, dat alleen bedoelde hij. En daarin lag
voor hem ook opgesloten net welzijn zijner medezondaren. Hij zocht niet te
kwellen of te benadeelen, maar te waarschuwen, de valsche gerustheid te
verstoren en te leiden tot Hem bij Wien alleen ware rust is. Den 9den
November kwam een commissie uit het Klassikaal Bestuur[39]
om nog eens den predikant, kerkeraad, kerkvoogden en andere lidmaten te
hooren. Feisser betuigde nogmaals als in de tegenwoordigheid Gods, dat hij
van zijn [22] gevoelens
omtrent kerk, tucht, doop en Avondmaal geen duimbreed afweek. Drie
weken later werd de zaak in handen gesteld van het Provinciaal Kerkbestuur[40]
en 19 Dec. moest Feisser verschijnen voor een commissie uit dat Bestuur[41]
om hem te hooren over de bezwaren door het Klassikaal Bestuur van Assen
tegen hem ingebracht. Hij verklaarde nogmaals dat hij den kinderdoop en
het Avondmaal met onbekeerden verwierp. Op de vraag of hij zich in staat
achtte om te kunnen beoordeelen wie tot het H. A. gerechtigd waren en wie
niet, antwoordde hij: “ik durf dit zeggen door genade, dat als ik eenige
jaren met iemand omgegaan, zijn wandel gadegeslagen en meermalen met hem
gesproken heb over den weg des heus en het leven des geestes, dat ik mij
dan wel eenigszins bekwaam gevoel om te verklaren of zoo iemand onder de
bekeerden of onbekeerden gesteld moet worden.”[42] Dienzelfden
avond kwam het gansene Provinciaal Kerkbestuur samen en verklaarde hem
ontzet van zijn ambt wegens stellige weigering van een gedeelte van zijn
dienst en het stichten van ergernis en wanorde. Hij mocht de feestbeurten
nog waarnemen en hij kreeg zijn tractement tot 1 januari uitbetaald. Op
Nieuwjaarsmorgen 1844 las Ds. J.G. Borgesius Hemmes, predikant te Eexta
het vonnis van afzetting bij het begin der godsdienstoefening aan de
gemeente voor.[43] Daar
stond hij dan nu beroofd van eer, brood en onderdak. Zijn ouders
beschouwden hem als een dwaas. Zijn moeder wilde hem niet meer zien. Zijn
vroegere vrienden ontweken hem als ware hij door een besmettelijke ziekte
aangetast. Heel de toenmalige kerkelijke wereld zag in hem [23]
een dweeper. Gelukkig had hij een vrouw die hem verstond en moedig de
donkere toekomst met hem tegenging. Zij heette Karsina Hovingh Wichers,[44] een zijner leerlingen met wie hij 27 October 1841 in
het huwelijk was getreden. Vermoedelijk is het echtpaar na de afzetting
eerst gehuisvest geweest bij haar ouders.[45]
Hij geloofde aan de doorwerking van zijn beginsel, maar ten koste van
arbeid en strijd. Hij vatte daarom de pen op en schreef in Februari 1844
zijn tractaat “Die den Geest Christi niet heeft, die komt Hem niet toe!
Eene noodige waarschuwing voor alle heilzoekende zielen onder de
Afgescheidenen en Niet-Afgescheidenen in Nederland.”[46]
Hij handelt daarin over het wezen, de namen en het werk des Heiligen
Geestes en beantwoordt dan deze drie vragen: 1e wat is het den
Heiligen Geest niet te hebben? 2e den Heer Jezus niet toe te
behooren? 3e Dien Geest te hebben en des Heeren eigendom te
zijn. Als
proeve van inhoud strekke dit citaat:[47] “Behaagt het den vrijmagtigen God, om, onder de
prediking van Christus, door den Heiligen Geest deze of gene ziel tot het
geloof te bewegen, dan verandert die ziel van overste of heer. Dien zij
vroeger, in duisterheid des verstands en verkeerdheid van hart, aanhing en
diende, dien verlaat zij voortaan; zij zegt hem den dienst op en begeeft
zich tot den nieuwen Heer, den oversten Leidsman ter zaligheid, Jezus
Christus. Dan behoort zij ook eerst tot de gemeente, en ontvangt als
zoodanig het nieuwe veldteeken, den H. Doop als teeken en zegel des met de
ziel aangeganen Goddelijken genadeverbonds. Och! dat zij die geestelijk
wenschen genoemd te worden, dit ook geestelijk bezien mogten, en geen
bloot vleesch en bloed onder de ten eeuwi-[24]-gen leven
herborene lidmaten Christi, door den waterdoop mogten ingelijfd achten,
naar het verkeerd toegepaste formulier des Doops, bij de Gereformeerde
kerk gebruikelijk. Vleesch en bloed kan en zal Gods koninkrijk niet
beerven, en: tenzij iemand wederom geboren zij, hij kan het koninkrijk
Gods niet ingaan, en nogmaals, die den Geest Christi niet heeft, die komt
Hem niet toe. Het
is volstrekt mijne meening niet, om de gemeente Gods en Christi buiten
betrekking tot de wereld te zetten, alsof ik alle menschen die nog niet
bekeerd zijn hard en liefdeloos verstiet. Neen, liefde tot allen, ook tot
den verst afgedwaalden zondaar, heeft de ware geloovige, maar hij acht hem
daarom nog geen broeder te zijn. De Gemeente Gods is een eiland en de
wereld de zee; die nu op het eiland behouden zijn visschen gaarne, of zij
ook nog anderen uit de zee tot zich mogten zien toegebragt door Hem die
ook de visschen in het net moet leiden. En is er dan iemand gevangen tot
opluistering van Jezus Koninkrijk; heeft de Vader uit vrije genade iemand
van den dood gered; is hij des H. Geestes deelachtig geworden, dan is er
blijdschap over deze zaak in den hemel en ook reeds op aarde onder alle
ware kinderen Gods, hoe fel ook de satan er tegen woede.” Nog
in den loop van datzelfde jaar gaf hij uit zijn “Getrouw Verhaal”,[48]
waarin hij breedvoerig verslag gaf van zijn werkzaamheden en lotgevallen
te Gasselter-Nijveen. In het voorbericht noemt hij zijn pogingen om de
gemeente te zuiveren “een arbeiden aan de Reformatie van de
Reformatie.” Aan het slot van het verhaal getuigt hij: “zoo geniet ik
dan nu het zalige voorregt van om Christus en der waarheid wil, gesmaad en
als kwaad verworpen te zijn.” Hoewel
geen broodgebrek lijdend, moest hij zich bekrimpen in de eerste
levensbehoeften. En hij, die voor honderden gesproken had en gevierd was
en geliefd, diende nu des [25]
Zondags
slecht een handvol getrouwen in een vertrek van zijn schamele woning met
het Woord. Zoo verstreek ongeveer een half jaar, toen het gerucht van zijn
afzetting de Baptistengemeente te Hamburg bereikte. In
Duitschland hadden Feisser's beschouwingen over het gemeentelijke leven
reeds ettelijke jaren geleden bij velen ingang gevonden. De prediking en
de apostolische ijver van het driemanschap Oncken, Köbner en Lehmaijn,
die het vasteland van Europa omvademden, schoot trots feilen tegenstand
van kerk en overheid, als een vruchtbaar zaad op.[49]
In vele plaatsen van Noord- en Zuid-Duitschland was het reeds tot
gemeentestichting gekomen. En elk lid dier gemeenten was zendeling mee en
ontzag tijd noch kracht om de “waarheid” te verbreiden. De beweging
drong door tot het Oldenburgsche, Jeverland en Oost-Friesland, waar het
eenvoudig getuigenis van rondreizende colporteurs en ambachtslieden velen
trok. Zoo kwam het, dat in November 1844 J. Köbner te Hamburg en A. F.
Remmers, een uitnemend lid der gemeente te Jever, bij een bezoek aan deze
streken, in overleg met de Hamburger gemeente en haar voorganger J.G.
Oncken, zich nader omtrent de zaak Feisser gingen vergewissen en
doorreisden naar Gasselter-Nijveen. Tegen den avond meldden zij zich bij
hem aan en na eenigen tijd met hem gesproken te hebben, gaven zij den
wensen te kennen gaarne dien nacht te willen overblijven. De zorgvolle
huismoeder aarzelde. Zij hadden in den laatsten tijd meer “vrome”
bezoekers gehad, die later bleken bedriegers te zijn. Maar gedachtig aan
het Schriftwoord: “vergeet de herbergzaamheid niet, want hierdoor hebben
sommigen onwetend engelen geherbergd”, maakte zij alles voor de
onverwachte gasten gereed. Weinig vermoedde zij, dat dit bezoek
verreikende gevolgen zou hebben. Köbner en Remmers bleven enkele [26]
dagen.
Vele dingen werden besproken, allerhande mededeelingen gedaan omtrent den
arbeid in Duitschland, meegebrachte tractaten gelezen en overwogen. Geen
wonder, dat nieuwe vergezichten zich ontsloten voor Feissers oog. Hij had
nog nimmer van het Baptisme gehoord en zelfs over zijn eigen doop niet
nagedacht. Doch nu kwam hij
tot de vaste overtuiging, “dat de eenige, juiste vorm van den doop de
ondergang was in het water en hij zich zelf als ongedoopt moest
beschouwen.” Kübner dacht dan ook niet anders of zijn gastheer zou zich
terstond laten doopen. Maar Feisser wilde eerst met zijn getrouwen
spreken, die de volkskerk den rug hadden toegekeerd. Hij beloofde den
uitslag van die samenspreking naar Hamburg te zullen schrijven. Het
drietal nam biddend afscheid, in het besef dat een duurzame band was
gelegd en in de hoop op een spoedig wederzien.[50]
Feisser's mededeelingen roerden de harten van den kleinen broederkring
diep. In een omgeving die zich krampachtig vastklemde aan de
voorvaderlijke zeden en gebruiken, was elke afwijking daarvan contrabande,
zoodat lang niet allen nog zijn slotsom overnamen: “uw doop als kind is
geen doop, wel de begraving van den geloovige in het water.” Ook bij
hemzelf verdrongen zich nog allerlei vragen. Kwetste b.v. de vrouwendoop
niet het schaamtegevoel? Maar Köbner troostte hem met de gedachte: “de
Heer zal alles regelen, zal wijsheid en kracht schenken.” Tevens meldde
hij dat hij in het voorjaar van 1845 hoopte te komen, ofschoon de
tegenwoordigheid van Oncken van meer nut zou zijn, “daar de Heer hem met
voortreffelijke geestesgaven had toegerust.[51]
Bij nadere overweging oordeelde Oncken echter, dat het beter was om eerst
nog eens persoonlijk kennis te maken. Hij zou de reiskosten wel betalen.
En zoo reisde Feisser begin Mei naar Hamburg, waar men al heel spoedig en
ten volle van zijn ijver en van de zuiverheid zijner bijbelsche [27]
inzichten
overtuigd werd.[52]
In gezelschap van Köbner keerde hij terug en werd de beslissende stap
gedaan waarnaar de harten met reikhalzend verlangen hadden uitgezien en
die hun een daad was van gehoorzaamheid aan den Heer. Op
den stillen Zondagavond van 15 Mei 1845[53] begaf zich de broederschap naar de hoeve van Roelof
Reiling aan den Nijveenschen mond. Een schuurtje, dat nog bijna
onveranderd op dezelfde plek aanwezig is, diende voor kleedvertrek. Zeven,
hetzelfde symbolieke getal, waarmede de Hamburger gemeente begon, maakten
zich voor de plechtigheid gereed. In de veenvaart, ongeveer twee honderd
meter van de hoeve, was een ondiepte, die zich bij uitstek voor den doop
leende, Köbner als dooper daalde af in het water. Hij werd gevolgd door
Feisser, den scheepskapitein Arend Speelman te Nieuwe Pekela, Roelof
Reiling en zijn vrouw Geertruida Teissens, benevens de drie gebroeders
Willem, Jannes en Hendrik Kruit allen te Gasselter-Nijveen. Deze lieten
zich door Köbner begraven in den vloed om als afgewasschenen daaruit op
te komen. Na van kleed te zijn verwisseld begaven zij zich naar de hoeve.
Köbner las den 92sten psalm voor, het sabbathslied en sprak in het
bijzonder over de woorden: “Gij hebt mij verblijd, Heere, door uwe
daden; ik zal juichen over de werken Uwer handen. O Heere, hoe groot zijn
Uwe werken, zeer diep zijn Uwe gedachten.”[54]
Daarna werd Feisser tot herder en leeraar, Roelof Reiling tot diaken
gekozen, en als zoodanig door Köbner geordend. Hiermede was de eerste
“gemeente van gedoopte Christenen” in Nederland openbaar geworden. Een
liefelijke vrede vervulde de harten. “Het was ons”, schreef Feisser,
“alsof wij nu door de rechte poort waren ingegaan, waarvan Bunjan in
zijn [28] “Christenreis” spreekt en niet over den
muur geklommen, ofschoon die gewoonte reeds meer dan duizend jaar oud is.”[55] De
gedane stap bracht zoowel vijandschap als hechter samenbinding te weeg. De
eigenaar der woning van de gelbroeders Kruit zei hun op staanden voet de
huur op. Anderen stelden hen echter in staat den noodigen grond te koopen,
waarop een nieuw huis in zoden werd gezet. De broederschap, die tot
dusverre uit ongeveer vijf en dertig leden bestond, slonk nu opeens tot
vijftien. Kort daarna richtten zij een adres aan Z.M. den Koning,
“strekkende ter bekoming van toelating tot het inrichten eener
Christelijke Afgescheidene gemeente.” Zij bewandelden, om bij de
Regeering erkend te worden, ook denzelfden weg als de Afgescheidenen. Zij
gaven als hun belijdenis de Gereformeerde op, met uitzondering van den
doop. Zij verklaarden dat zij zich hielden aan het woord van den Heer
Jezus en zijne dicipelen en dit gezond en eenvoudig verklaard. Zij gaven
de verzekering, dat zij niets nieuws beoogden en dat het verschil tusschen
hun gemeenschap en de bestaande kerkgenootschappen meer bestond in geloof
en leven dan wel in kennis en beschouwing. Zij betuigden niets te
bedoelen, dan in deze wereld matig, rechtvaardig en godzalig te leven,
verwachtende de zalige verschijning van hun Heer en Zaligmaker. Omtrent
den eed gaven zij geen specialen regel.[56]
De gemeente zou haar openbaren eeredienst uitoefenen te Gasselter-Nijveen
in een te stichten gebouw op het perceel bouwland ten Oosten van de
zoogenaamde Schreijerswijk aan de Vaart.[57]
Bij koninklijk besluit van 13 Augustus 1845 werd, op rapport van den
Minister van Eeredienst van 19 Juli, de verzochte toelating aan de
adressanten ver-[29]-leend.[58] Zij voelden zich als één lichaam, het lichaam des
Heeren, Zijn gemeente,[59]
staande tegenover een vijandige wereld, vol vrees om door woord en wandel
smaadheid te brengen over hun belijdenis en den Naam des Heeren. Een
hunner had op een boelgoed een te hoog bod gedaan en toeslag gekregen.
Toen het op betalen aankwam was hij daartoe niet in staat, wat veel
opspraak gaf. In zijn verlegenheid ging hij naar Feisser, maar deze zat
zelf in financieele moeilijkheden en moest ook door anderen worden
gesteund. Toch kon deze smaad niet op hen blijven rusten. En één
redmiddel nog restte: het antieke tafelzilver en enkele sieraden,
gedenkstukken van vroeger jaren toen men nog in de “wereld” leefde,
zou hij laten verkoopen. Een en ander werd in een pakje saamgebonden en
den broeder meegegeven. Met een bezwaard hart liep deze naar Nieuwe Pekela,
doch eerst nam hij nog even een kijkje bij kapitein A. Speelman, wien hij
het geval vertelde. Deze wilde echter onder geen beding dat Feisser zijn
familiesouvenirs zou missen en stelde den broeder de benoodigde som gelds
ter hand om zijn schuld af te doen. Er was een
zuster der gemeente die naar algemeen gevoelen blijk gaf van
hebzucht. Bepaalde feiten konden niet genoemd worden, maar de karaktertrek
was onmiskenbaar. De gemeente oordeelde dat dit haar onder het oog moest
worden gebracht. Zuster Feisser werd daarvoor aangewezen. Zij zag er
echter zeer tegen op, doch zij herinnerde zich in een boek van Thomas Adam
gelezen te hebben, dat eer men een ander zijn zonden voorhield, men voor
hem moest bidden. Zij deed dit én voor deze zuster én voor zich zelf en
ging toen heen om haar moeilijke taak te vervullen. Zij vond een geopend
oor en hart en nooit werd sedert dien tijd inhaligheid bij deze zuster
bespeurd, maar steeds een milde hand. [30]
Feisser
zocht gelegenheid om op verschillende plaatsen te prediken, doch alle
deuren waren voor hem gesloten en zijn tractaten werden niet verkocht. Hij
klaagde zijn nood aan Oncken, die voor herstel van zijn geschokte
gezondheid zeebaden op Helgoland gebruikte. Deze schreef hem, er was geen
reden om zoo terneergeslagen te zijn. Niets anders viel te wachten. “Ten
allen tijde heeft de waarheid denzelfden strijd gehad en in het
kerkelijk-orthodoxe Holland moet dat in bijzondere mate het geval zijn. De
doopwaarheid grijpt zoo diep in het wezen van alle staatskerken en van
andere kerkgemeenschappen, die het Evangelisch standpunt verlaten hebben
in, dat wij niet dan op den krachtigsten tegenstand hebben te rekenen.”
Hij raadt hem aan eenige populaire geschriften, waarvan één over den
Doop, in het licht te geven. Tevens stelt hij zijn komst over eenige weken
in het vooruitzicht, als hij over Holland en langs den Rijn naar Stuttgart
zal reizen. Zij zouden elkander dan te Amsterdam kunnen ontmoeten, waar
eenigen den doop verlangden.[60] Ook
aan Köbner stortte hij zijn hart uit. Deze beurde hem op met het beeld
van den eersten zendeling in een ver en vreemd land, die aldaar een begin
komt maken met het Koninkrijk Gods. “Deze gaat naar zijn post met de
blijdste verwachtingen, maar ziet ze weldra schijnbaar in rook opgaan en
de jaren snellen voorbij in de woeste eenzaamheid zonder dat hij vrucht op
den arbeid ziet. En toch is zulk een tijd van beproeving menigmaal de
grondslag van toekomstige heerlijke dingen geworden. Wie weet, zoo vraagt
hij, wat uit uw tegenwoordige werkeloosheid en uit uw geduldig wachten nog
eens voor Nederland zal openbaar worden.”[61] [31]
Feisser's
echtgenoote, de trouwe Karsina, was nog steeds niet gedoopt. Zij had zich
wegens haar zwangeren toestand niet bij het eerste zevental kunnen voegen.
Toen nu Oncken in September 1845 te Gasselter-Nijveen kwam, ontving ook
zij het lang begeerde waterbad. De
kleine gemeente kwam geregeld samen om te volharden in de leer der
apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de
gebeden. Maar op dat alles werd een donkere schaduw geworpen door den
wankelen gezondheidstoestand van haar voorganger. Hoe moeilijk viel “het
hem geregeld de gemeenschap te onderhouden, die hem zoo liefelijk was, met
Hendrik Kruit aan den Boerveenschen mond! En hoe smartte het hem als hij
van een voorgenomen bezoek moest afzien. “Wat verlangde”, zoo schreef
hij met het oog op zijn eigen toestand, “Paulus soms hartelijk en vurig
naar de tegenwoordigheid der geroepen heiligen! Rom.
15:23, 34; Philipp. 1:3, 8. En
geen wonder ook! Want waar zullen wij het op deze wereld ook anders
zoeken? De wereld kent ons niet en heeft ons niet lief, omdat zij den
Vader en den Zoon evenmin kennen of liefhebben. In de ijdele en
voorbijgaande dingen, die om ons henen zijn, kunnen wij ook niet rusten,
veel min ons verzadigen. Naast de gemeenschap met den Drieëenigen God
(door 't gebruik van Zijn woord en 't gebed) blijft ons dan wel niets over
dan elkanders vertroosting, besturing en opwekking en wel ons, dat wij van
beide die groote bronnen van ons heil niet geheel verstoken zijn; ja! al
is het laatste ook wat heilzamer en moeilijker soms, het eerste behoeft
ons toch nooit en nergens te ontbreken. Ik behoef u dan wel niet te zeggen
dat ik kom, zoodra ik kan.”[62] De toestand werd evenwel ernstiger en dreigde zijn
geheele gestel te ondermijnen. Het zag er donker uit. Een brief van Ds. J.
de Liefde te Zutphen, met wien hij in geregelde correspondentie stond,
bracht licht. Deze ried hem aan een [32]
waterkuur
te ondergaan te Lewin bij Leitmeritz, eenige uren achter Dresden. En de
mannen, die hem daartoe het volgend jaar in staat stelden, waren Oncken en
een stille weldoener in Holland. Op 15 Mei 1846 begaf hij zich te voet
langs zwaar beslijkte kleiwegen op reis over Nieuwe Schans en Weener naar
Leer. Daar verkondigde hij het Woord in een kleinen kring van broeders en
zusters en deze gaven hem hoop dat er eerlang een gemeente zou worden
gesticht. Over Aurich ging hij deels per as, deels te voet naar Jever,
waar hij recht broederlijk door broeder A. F. Remmers werd ontvangen. Ook
hier mocht hij aan de gemeente, die uit slechts twintig zielen bestond,
het Woord brengen en met haar het Avondmaal vieren. Hoewel Hamburg buiten
zijn reiskoers lag, kon hij niet aan de begeerte weerstand bieden de
gemeente te bezoeken. Zijn indrukken beschrijft hij aldus: “In Hamburg
heb ik het zeer goed gehad, ik ben er wel vermoeid doch gezond uit
weggegaan. De gemeente aldaar is vrij wel naar het mij voorkomt, ofschoon
het gemoedelijke en bevindelijke naar het mij toeschijnt al te zeer
voorheerscht. Wat het eigenlijke, het dagelijksche leven betreft, dunkt
mij dat zij het zoo nauw niet nemen, als wij het wel doen. De
gemoedsgesteldheid is bij hen het voornaamste, hoewel zij toch het
godzalige en gehoorzame leven niet geheel verwaarloozen en wel degelijk op
elkander acht geven. In de vergadering der gemeente gaat het bijzonder
goed toe. Ik kan niet anders zien of het geschiedt daar alles naar Gods
Woord. Intusschen kan het niet anders Of er vermengt zich ook nog iets
verkeerds en gebrekkigs met het goede, daar men zulks noodzakelijk bij
wezens verwachten moet, welker kenmerk onvolmaaktheid is. Als men in zulk
een gemeente verkeert, dan wordt men weer levendig en vroolijk door de
groote dingen die de barmhartige God nog steeds doet. Het toebrengen van
zielen tot Jezus' kudde is een van de zaligste gebeurtenissen, die de
Christen aanschouwen mag en strekt niet weinig tot de versterking en
bevestiging van ons eigen geloof, alsmede tot opwekking van onze [33]
dankbare
vreugde in Hem, die Zijn genadeheerschappij nog gedurig
op nieuw openbaart tot heil van blinde en van nature verlorene
zondaars.” Te
Lewin voelde hij zich niet thuis. Hij ging stilzwijgend en met groot
verdriet tusschen de menigte badgasten door, walgend van de ijdelheid
dezer “jammerhartige, laffe wereldkinderen, die bij al hunne geestelijke
en lichamelijke ellende zich nog op allerlei wijze als lastige gasten
voordoen en met nietsbeduidende gekheden den tijd weten te verdrijven.”
Met niemand kon hij spreken over de dingen van Gods Koninkrijk. Met
eenigen beproefde hij 't, maar ze zagen hem vreemd aan en meden hem
voortaan. In deze omgeving was dagelijks het stille namiddaguur, waarin
hij zich terugtrok met zijn Nieuw-Testament, voor hem een bron van
zielsverkwikking. Smaad en schimp bleven ook hier niet uit.
“Gisteren”, 18 Juni 1845, schrijft hij, “heb ik een zwaren dag
gehad. In tegenwoordigheid van velen voor de zaak mijns Heeren getuigenis
gevende, viel mij de eer te beurt om zijnentwil beschimpt te worden. En
wie was de man, die met bittere kwaadaardigheid op mij aanviel? Een
predikant bij de Gereformeerden, die pensioen trekt, uit Groningen. Het
vergif schoot hem in de oogen. En niemand was er, die den dominé niet
bijviel, zoodat ik ongetroost en zonder vrucht naar het schijnt, heen
konde gaan. Nu zien de menschen mij nog meer scheef aan. Maar ik heb vrede
en verheug mij onder zoovele blinden toch te zien.” De
waterkuur werkte intusschen krachtig en heilzaam. Bij den dag gevoelde hij
zich frisscher en sterker naar lichaam en geest. Tijdens
zijn afwezigheid stichtten beurtelings Roelof Reiling, Hendrik en Johannes
Kruit de gemeente. Feisser had bij het afscheid en ook later in zijn
brieven hen op het hart gebonden “om de gave die in hen was niet te
verzuimen, maar op te wekken tot opbouwing en versterking der gemeente.”
Zij voelden zich echter nog zeer onbekwaam. Vooral broeder Reiling, een
stil, bescheiden man, die weinig sprak, [34] vroeg
raad voor het openbaar gebed in de gemeente. Feisser antwoordde: “daar
weet ik evenmin raad voor als voor mijn zwager om tot helder en beslist
geloof en Christelijk leven te geraken. Beide hebben kracht van Boven
noodig om wel te gelukken. Maar veel hangt er ook van het oogpunt af,
waaruit wij de zaak beschouwen. Vloeit ons gebed en Christelijk leven uit
rein geloof en waren lust om God te verheerlijken voort; is de eer en
liefde Gods het voorname beweegrad van ons spreken, denken en handelen,
dan mogen onze woorden of daden de menschen soms minder behagen, zij
behagen Gode gewis en dat is ons genoeg, terwijl ik voor elken verlosten
zondaar geen sterker prikkel tot spreken, bidden of doen kenne dan de
liefde tot Hem, die ons eerst heeft liefgehad en de lust om dien God en
Zaligmaker te verheerlijken, die alle eer zoo waardig is en toch zoo
weinig eer ontvangt.” Omstreeks
20 Juli 1846 kwam Feisser weer thuis. Hij was wel veel beter geworden,
doch niet geheel hersteld. Den 12 April 1848 schreef hij aan Hendrik
Kruit: “mijne lichaamsgesteldheid betert door Gods gunst zachtjes aan,
zoodat ik hoop, dat wij eerlang ook weer 's middags zamenkomen kunnen.” Pogingen
om meer uitbreiding aan de gemeente te geven faalden, 't Was een
gebeurtenis wanneer een vreemd gezicht in de samenkomsten gezien werd. En
dan hoopten de broeders en zusters vurig, dat het woord aan dat hart mocht
gezegend worden, maar al spoedig bleek, dat het afstuitte op een wereld
“van andere gedachten en gevoelens. “De bijeenkomst”, zoo luidt het
in een brief aan Hendrik Kruit, “van verleden Zondagmorgen heeft Jan
Braam en Mattien, zooals ik gehoord heb, gansch niet bevallen. Zij hebben
mijne woorden, welker waarheid zij niet ontkennen durfden, aan bitterheid
en boosheid toegeschreven, schoon de Heer weet, dat zij uit belangstelling
in hun wezenlijk heil voortgevloeid waren. Natuurlijk, vleeschelijk hebben
zij ze beoordeeld en daar het hun nu geen reuk des levens blijkt te [35]
zijn geworden, denk ik dat het hun ten nadeele zal verstrekken en zij
voortaan wel niet meer bij ons zullen vergaderen. Waarlijk! 't is zooals
altijd, de ongehoorzamen stooten zich aan 't woord en dan zal de spreker
de schuld hebben.” Dergelijke
ontmoedigende ervaringen deden hem eindelijk in 1849 besluiten zich
metterwoon te Nieuwe Pekela te vestten, in de hoop daar een vruchtbaarder
arbeidsveld te vinden. De woning te Gasselter-Nijveen, die zooveel tranen
maar ook zooveel liefelijks van het gemeenschapsleven in Christus had
gezien, werd afgebroken en naar de nieuwe woonplaats overgebracht. De
scheiding viel zwaar, maar snoerde den liefdeband nog hechter. Wel kwamen
Feisser en Speelman vaak in het midden van de kleine herderlooze gemeente,
die haar onderlinge bijeenkomsten op den eersten dag der week bleef
houden, maar voor de zusters was de afstand te groot. De trouwe Karsina
kwam op een Januaridag na een wandeling van twee uur in oude schoenen met
gezwollen voeten van den Boerveenschen mond. En wat schreef haar man toen
aan Kruit? “De verdrukkinge Christi doet ons ook dit met lijdzaamheid
dragen, want waren wij in de wereld gebleven, wij konden wel een paar
andere schoenen koopen of gemakkelijk tot elkander komen. Dezen morgen ga
ik naar broeder Speelman, die ook nog sukkelt met zijn hoofd. Als het kan,
kom ik deze week nog eens bij u; zoo niet dan in 't begin der volgende
week. De Heer geve ons allen, die in Christus Jezus zijn-, met opgerichten
hoofde door dit land onzer vreemdelingschap te reizen en doe ons van
ganscher hart met Paulus zeggen: “wij dan hebben altijd goeden moed, of
nog heerlijker met onzen Heiland, naar Joh. 8:29 “die mij gezonden heeft
is met mij; de Vader heeft mij niet alleen gelaten.” Aandoenlijk
is in zijn brieven de stille hoop op een meer geregelde en bestendige
gemeenschap. Hij spiegelt zich voor eerlang een paard en een knecht tot
zijn beschikking te hebben, opdat de zusters gemakkelijker bij elkander
kunnen [36]
komen.
“Verkwik en vertroost Trijntje[63]
er maar wat mee, gelijk ik er Sina mee tracht te verblijden. Wij
kindertjes, moeten toch zoo wat hebben in 't verschiet, waarnaar wij
verlangend uitzien. Ook zijn wij immers maar in hope zalig.”[64]
Zoo schreef hij op blij-naieven toon te midden van groote financieele
moeilijkheden aan zijn vriend Hendrik Kruit. En dan beklaagt hij zich
slechts over één ding, dat hij Gods weldadigheid niet genoeg opmerkt en
prijst. En dan gaat hij voort: “Wij leeren maar zeer langzaam en soms is
het mij of wij nog zoo goed als niets geleerd hadden; wij onthouden
althans maar slecht.” Op
den eersten dag der week hield hij in zijn woning met broeder Speelman
samenkomst om het Woord Gods te overdenken. Ook evangeliseerde hij in een
gehuurde kamer en enkelen werden gewonnen voor de kleine huisgemeente. En
bood zich een andere gelegenheid aan, ook dan gaf hij rekenschap van zijn
gevoelens. In 1850 zond Ds. J. de Liefde bij Höveker te Amsterdam zijn
“Almanak voor Hart en Huis” in het licht, christelijke volkslectuur
van de beste soort. Feisser ontving vijf exemplaren door bemiddeling van
een onderwijzer te Pekela, die de Christelijke belijdenis was toegedaan.
Deze bracht hem de boekjes persoonlijk en het bezoek leidde tot een
onderhoud van een paar uur. “Of hij”, schreef hij aan H. Kruit, “er
iets bij gewonnen heeft, weet ik niet. Ik heb er dit duidelijk uit geleerd
of uit bevestigt gezien, dat er drie stukken noodig zijn tot het ware
Christelijke of Goddelijke leven: 1e een zuiver, helder oog,
dat ongedekt en onbeneveld juist de dingen ziet, zooals zij zijn; 2e
een recht gebruik van dat oog met opzicht tot twee voorwerpen, n.l.
vooreerst de Heer in Zijn heerlijkheid, welke het beeld Gods is, ten
andere ons natuurlijk wezen (dat juist het tegenbeeld van dien Heer is)
zooals het is, vleesch uit vleesch geboren en waarin geen goed woont en 3e
het [37] bezit van den geest des Heeren, die ons naar het
beeld van Christus verandert van heerlijkheid tot heerlijkheid in den loop
onzer dagen of jaren. Zonder deze drie genadegiften is alle moeite tot
verlossing van zondaren ijdel en machteloos.” Deze
drie stukken herinneren aan het bekende drietal van den Heidelbergschen
Catechismus, doch in geheel andere, vrije woorden geeft hij zijn
Christelijke onderwijzing of ervaring. Van geijkte, schoolsche,
leerstellige uitdrukkingen had hij een afkeer. Voor hem had waarde het
getuigenis uit eigen geestelijke ervaring en inzicht aangaande de Waarheid
in Christus. Hij maakt een scherp onderscheid tusschen Oud en Nieuw. In de
samenkomsten sprak hij alleen uit het Nieuw Testament, zonder nochtans het
gezag des Ouden Testaments te verwerpen, omdat hij het eerste van meer
dadelijk en rechtstreeksch belang achtte.[65]
De Afgescheidenen waren zijns inziens nog niet eens begonnen het Evangelie
te kennen.[66] Ook de Duitsche broeders hadden nog te weinig den
ouden zuurdeesem uitgezuiverd. “Ik geloof niet”, schreef hij een jaar
voor zijn dood, “dat de gemeenschap met hen op den duur bestaan kan. Of
zij of wij zouden dan vrij wat veranderen moeten. Zij staan geheel op het
Afgescheiden standpunt, zooals het hier te lande is en onderscheiden niet
genoeg tusschen Oud en Nieuw. Bijaldien zij echter slechts oprecht zijn,
zal alles wel goed gaan en kan de liefde veel overzien en dragen.”[67] De
band met de Duitschers werd dan ook losser. Hun geloofsbelijdenis kon hij
niet onderschrijven.[68]
In zijn laatste levensjaren gingen zijn sympathieën meer naar de
Engelsche Baptisten. Toen hem in 1863 het bezoek werd gemeld van Spurgeon
te Amsterdam en hij kort daarna bekend werd met [38] een
brief, dien de gevierde prediker aan de Amsterdamsche Baptistengemeente
had geschreven, sprong zijn hart op van vreugde en haastte hij zich den
inhoud van dat schrijven aan zijn vriend Kruit mede te deelen. Hij voelde
zich toen reeds niet verre meer van den eindpaal zijns aardschen levens.
Weemoedig schreef hij:[69]
“ik ben nog zwak en heb bestendig pijn; tot u gaan kan ik niet; ik
twijfel soms of ik het ooit wel weer zal kunnen doen, want mijn gebrek
wordt gestadig erger. Maar bij den Heer zijn uitkomsten ook tegen den
dood. Hoe het ga, ik wensch in Hem mijne sterkte en mijnen vrede te vinden
en vind die ook in Hem en mijne hoop is mij meer dan de gansche wereld
waard."[70] Toch is hij nog eens aan den Boerveenschen mond een geheelen Zondag in het midden der broederen geweest. Hoe verkwikte hem toen de vreugde in den Heer, die hem onder deze eenvoudigen naar de wereld tegenademde. Toen hij op den terugweg den indruk weergaf van dien dag, sprak hij met toepassing op zich zelf: “zij die gestudeerd hebben, verheugen zich niet zoo spoedig gelijk deze kinderkens, maar als de blijdschap Gods over hen komt, dan gaat zij nog eens zoo diep." Kort daarna riep hem de Heer tot de volkomenheid der vreugde. Had hij voorheen met blijdschap geleden en gestreden voor hetgeen hij als de Waarheid beleed in zake den doop en het gemeentelijk leven, gedurende zijn laatste levensjaren wenschte hij niets liever dan stil zijn weg met God te gaan,[71] totdat hij 2 Juni 1865 van zijn post werd afgeroepen en heenging in vrede. Door een zijner vrienden [39] is hij vergeleken met Menno Simons, omdat tusschen beider geestesrichting een merkwaardige overeenkomst bestond en, zij aan groote zachtheid een snijdende scherpte paarden.[72] Een treffend getuigenis, want Menno stond bij de oudste Baptisten in hooge eer en zijn geschriften waren hun niet vreemd. [1]
Bronnen voor deze levensbeschrijving zijn: 1. Genealogische
aanteekeningen, mij verstrekt door de familie. 2. “Getrouw Verhaal
van mijne werkzaamheden en lotgevallen als dienaar des Heeren te
Gasselter-Nieuwveen” door J.E. Feisser, Gron. 1844. 3. Geschichte
des Entstehens und weitere Schicksale der gemeinde getaufter Gläubigen
zu Gasselter Nieuwveen, mitgetheilt von J.E. Feisser in “Hamburger
Missionsblatter”, 1850. 4. Brieven van J. de Liefde, J. B. Pinto
e.a. Zie de “Bijlagen”. 5. Verschillende brochures door Feisser
geschreven. 6. Mondelinge mededeelingen van Mej. A.M. Feisser te N.
Pekela. Een volledige verzameling der geschrifte van Dr. J.E. Feisser, die zeer zeldzaam zijn, vindt men in de bibliotheek der Theologische school van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zie Catalogus dier bibliotheek, bl. 239 en 240, Kampen, 1911. [2] Johannes Elias Feisser in 1747 geboren te Homburg bij Frankfort am Main, was gehuwd met Anna Heines Carsjens, in 1755 te Middelstum geboren en 15 April 1833 te Veendam overleden. [3]
Johannnes Feisser geboren 14 Dec. 1773 te Groningen en aldaar
overleden 14 Oct. 1817. Vgl. J.W. Regt, “Neêrlands beroemde
personen, naar hunne geboorteplaatsen en aardrijkskundige orde
gerangschikt en beknopt toegelicht.” Schoonh. 1868. [4] Blijkens enkele brieven, die nog aanwezig zijn. [5] Anna Heines Carsjens. [6]
J. E. Feisser, “Commentatio .... ad quaestionem .... Num ex formula ho
huiou theou, quae in saero N.T. codice passim est obvia,
cumprobari possit divina Jesn Chrisli natura? Annales
Academiiae Groninganae 1826/27.” Groningen, 1830. [7]
Groningen, 1828. [8] Verschenen te Groningen bij W. van Boekeren, 1832. [9] Wel geeft hij hier en daar een eigen vertaling, van den Nieuw Testamentischen tekst. [10]
Bij Joh. 3:36 zegt hij: “hier wordt het geloof aan God en het hooren
naar of het gehoorzaam zijn aan de geboden van Jezus als de weg tot
tijdelijk en eeuwig leven opgegeven. Het geloof wordt hier als eenig
middel tot zaligheid aangeprezen; en zoo is het ook inderdaad, als men
maar recht weet, wat men onder dat woord te verstaan hebbe. Als wij
het opvatten niet alleen als een voor waar houden van alle de woorden
van Jezus, maar ook als een gehoorzaam zijn aan alle Zijne geboden in
welken zin het meermalen genomen wordt, dan zal niemand op iets
onbegrijpelijke of tegenstrijdigs in het denkbeeld zelfs, of in de
leer van Jezus en de apostelen stooten. Blz. 54. [11] Hij vertaalt: “Verlos ons van het booze” (Matth. 6:13) en zegt aangaande de verklaring van den Heidelbergschen Catechismus: “daarin is veel goeds, als men er den duivel uitlaat”, bl. 235. [12] B.v. Met Mr. Behrns en Mr. A. Telting, die hem in een brief van 7 Maart 1854 schrijft: “ik blijf steeds met vriendelijke belangstelling aan u denken, schoon ik het dan daarom vooral bij de zoo vaak bij mij opkomende herinnering aan 't geen gij hier als predikant voor mij en velen met mij waart — des te meer bejammer, dat een man van zoo uitstekende talenten voor de uitbreiding van het Godsrijk in het openbaar althans — verloren is. Uwe wereldaanzigten, die u beletten onder de menschen werkzaam te zijn, deel ik niet, doch het zij verre van mij met u te twisten. Zijn die op innige overtuiging van waarheid gegrond, dan zal de Heer, die zeker op ons hart zien zal, ook vast eene genadige uitspraak over U doen, even zeker als over hen die naar hunne gemoedelijke overtuiging van U verschillen.” [13] Kerkeraadsacten van de Herv. Gemeente te Franeker, 4 Maart 1838. [14] Eerst had de candidaat A. Witteveen, later predikant te Lekkum, een deel van zijn dienstwerk overgenomen. 27 Sept. 1838 werd Feisser op een vereerende wijze van zijn betrekkingen op de gemeente Franeker ontslagen. [15] Volgens het kerkeraadsboek van Gasselter-Nijveen. [16] “Getrouw Verhaal”, bl. 2. [17] “Getrouw Verhaal”, bl. 3. [18]
Blijkens de diakonierekeningen, die ik nazag en “Getrouw
Verhaal”, bl. 7. [19] “Getrouw Verhaal”, bl. 3. [20] “Getrouw Verhaal”, bl. 6. [21]
Groningen, 1841. De voorrede is gedateerd 10 Mei, 1841. [22]
“Het Eene noodige”, bl. 60. [23] Voorbericht der brochure “Waakt op! Gij die slaapt . . . Eene roepstem tot alle ware geloovigen en begeerigen in Nederland”, Groningen 1843. [24]
J. Newton, “Cardiphonia”, of gemeenzame brieven enz., 1783, 3 dln.
Feisser wenscht Prof. Hofstede de Groot toe, dat hij Newton's brieven mocht
lezen en herlezen en dat de Almachtige hem daardoor de oogen mocht
openen, dat hij recht kon zien. “Het zoude voor zijne eigene ziel
van zoo onberekenbaar belang zijn.” Zie “Waakt op . . “ bl. 24.
Men kan uit deze aanhaling bemerken, dat Newton op Feisser grooten
invloed heeft gehad. [25] “Waakt op ...” bl. 26—27. [26]
Het
volgende relaas der kerkelijke troebelen te Gasselter-Nijveen is
ontleend aan de officieele kerkeraadsacten, de acten van het
Classicaal Bestuur van Assen, die van het Provinciaal Kerkbestuur van
Drenthe en aan het “Getrouw Verhaal van mijne werkzaamheden en
Lotgevallen”, Groningen 1844. [27]
In
vele gemeenten was het gewoonte, dat iemand die voor zijn benoeming
tot ouderling of diaken bedankte, een hooge boete moest betalen. [28]
Blijkens ten verslag van den Ring Assen over 1843, opgezonden door het
Classikaal Bestuur aan het Prov. Kerkbestuur van Drenthe. [29]
Acta
Cons. 18 Aug. 1843. [30]
Feisser
had van deze leeraars vernomen dat de gemeente zonder geestelijk leven
was. Volgens zijn zeggen hadden zij de gemeente in een valsche rust
gelaten. [31]
“Waakt
op ....”, voorbericht blz. 2 en 10. [32]
“Waakt
op ....”, blz. 38. [33]
“Waakt
op ....”, blz.
21. [34]
Volledige
titel is: “Beknopte Aanwijzing van het ongeoorloofde in den Doop der
kleine kinderen, benevens de weerlegging van de voornaamste gronden
welke voor den Kinderdoop bijgebragt worden”, door J. E. Feisser,
Dienaar van God en Jezus Christus, Gron. 1843. [35]
“Getrouw
Verhaal”, blz. 59 en volgens mededeelingen van Mej. A.M. Feisser. [36]
“Waakt
op”, blz. 35. [37]
Volgens
mededeelingen van Mej. A.M. Feisser. [38]
“Getrouw
Verhaal”, blz. 47. [39]
Bestaande
uit Ds. J.J. Metzlar te Norg, Mr. G. Vos, ouderling te Assen en lid
van Gedeputeerde Staten van Drenthe en Ds. H. Dorenbos te Smilde. [40]
In
de vergadering van 29 November. [41]
Bestaande
uit Ds. W. Schellens, Ds. H. van Heijningen te Meppel en Ds. Reddigius
te Assen. [42]
“Getrouw
Verhaal”, blz. 62. [43]
Volgens
de kerkeraadsacten. [44]
Geb.
15 Maart 1821 te Gasselter-Nijveen. [45]
Hendrik
Hovingh Wichers en Jaapkien Kars Reiling. [46]
Groningen,
1844. Hij betitelt zich in deze brochure als “Dienaar van God en den
Heere Jezus Christus.” [47]
Bladz.
20, 21. [48]
Groningen,
1844. [49]
Bronnen
voor de Geschiedenis van het Duitsche Baptisme zijn: J. Lehmann,
“Geschichte der deutschen Baptisten,” Hamb. 1896; Theodor Dupreé,
“Ein Bahnbrecher für biblische Wahrheiten, Leben und Wirken von
J.G. Oncken,” Cassel 1900. [50]
Brief
v.in Köbner, 27 Dec. 1844. Zie Bijlagen. [51]
Brief
v.in Köbner, 27 Dec. 1844. Zie Bijlagen. [52]
Feisser
sprak er ook een paar maal in de Duitsche taal, zie “De Christen”,
25e jaargang nu. 995. [53]
Het
moet op een Zondag zijn geweest, daar Köbner Psalm 92 voorlas, en wel
op den 15den Mei, daar Feisser na den doop met Köbner reisde naar
Zutphen en Amsterdam, en 22 Mei weer thuis was. [54]
Psalm
92:5, 6. [55]
Aangehaald
uit het opstel in de “Hamburger Missionsblatter”. [56]
Brief
van J.E. Feisser aan H.G. Tekelenburg, 27 Nov. 1874. Zie Bijlagen.
Aangaande den eed verklaart Feisser nog dat hij en al de broeders in
dezen omtrek er vrij in zi]n gelaten. [57]
Kadastraal
Sectie C no. 360. [58]
De
officieele tekst van het stuk is te vinden in de acta van het Prov.
Kerkbestuur van Drenthe, 1844. [59]
Aangehaald
uit het opstel in de “Hamburger Missionsblatter”, 1850. [60]
Brief
van 12 Sept. 1845. Zie Bijlagen. Volgens het doopboek der gemeente te
Hamburg doopte Oncken 22 Juni 1845 de volgende Nederlanders: Johan
Hendriks Tilleman, stuurman, geb. Groningen, 10 Oct. 1811; Imke
Wessels Kuiper, matroos, geb. Lemmer, 10 Jan. 1825; Beke Wessels
Kuiper, geb. Lemmer,
21 Sept. I822. [61]
Brief
van 26 Sept. 1845. Zie Bijlagen. [62]
Brief
van 13 Maart 1847. [63]
Trijntje
Naaier, de vrouw van H. Kruit. [64]
Brief
aan H. Kruit, van 10 Dec. 1850. [65]
Brief van W. Bruin, 10 Mei 1866. Zie Bijlagen. [66]
Brief
aan H. Kruit, omstreeks 1850. [67]
Brief
aan Tekelenburg te Amsterdam in Oct. of Nov. 1864. [68] Deze geloofsbelijdenis is in het Nederlandsch uitgegeven door P.J. de Neui, Baptistenleeraar te Franeker, in 1870. [69] 1 Mei 1863. [70] Onder invloed van al zijn lijden gaf hij nog in het licht de brochure “De Levenswekker, een blijde boodschap voor allen, die aan de veelvuldige ziekten, welke door gevatte koude ontstaan, alsmede aan andere ongesteldheden lijden." Uit Duitschland medegedeeld aan Nederland door J.E. Feisser, Groningen, 1858. [71] Brief van 27 Nov. 1864
aan H.G. Tekelenburg te Amsterdam. Zie Bijlagen. [72] Brief van J.B. de Pinto aan Feisser, 4 en 12 Juli 1845. Zie de Bijlagen.
|