[194]
In het jaar 1855 zond het hoofdbestuur van de Vereeniging tot Heil des
Volks een evangelist-bijbelcolporteur naar Leeuwarden, nl. K. Holleman,
dien wij reeds door zijnen arbeid onder de polderwerkers van de
Haarlemmermeer hebben leeren kennen. Deze nam zijn intrek bij den
kruidenier Johannes Plet op de Vleeschmarkt, ten wiens huize hij
godsdienstige samenkomsten leidde. Als vrucht van dien arbeid kwam er een
afdeeling tot stand van de Vereeniging tot Heil des Volks, met twintig
leden. Weldra barstte echter in haar midden een hevige strijd los over de
leer der algemeene verzoening. Velen waren strenge voorstanders der enge
voldoening en wilden die vooropstellen. De geheele afdeeling scheen door
dien strijd te zullen ondergaan. Toch hief zij het hoofd weer op en het
ledental klom tot zestien. Den 9den April 1856 hield zij haar eerste
openbare vergadering in de zaal van “De Koe” buiten de Vrouwenpoort.
Een tijdlang bleef Holleman daar des Zondags en des Donderdags voor groote
scharen volks optreden. Verder gaf hij den stoot tot het oprichten van
vier Zondagsscholen en verschillende vereenigingen. Ook deed hij honderden
huisbezoeken bij de arme bevolking van Leeuwarden, onder welke hij de
voorkeur gaf aan de Roomsch-Katholieken, wien hij menigen bijbel verkocht. De
herbergzaal in het Zaailand werd echter op den. duur te klein en de
omgeving te rumoerig, zoodat naar een ander lokaal werd uitgezien. De
aardappelkoopman J. Swart bood nu aan in de Vijverbuurt een pakhuis te
bouwen en daarboven een zaal voor samenkomsten tegen billijken prijs in te
[195] richten. Het bestuur der afdeeling tot Heil des
Volks nam met blijdschap dat aanbod aan en 25 October 1857 wijdde Holleman
het “aardappelenkerkje”, zooals het door den volksmond genoemd werd,
in met een predikatie over Rom. 8:16. Holleman werd bijwijlen door het
hoofdbestuur naar Amsterdam ontboden om gedurende eenige maanden een deel
der werkzaamheden van de Liefde, die zich op collectiereis in Schotland
bevond, over te nemen. Wel werd hij dan door zijn vriend J. Witmond
vervangen, maar de Leeuwarder broeders achtten het in 't belang van het
werk, indien er een vaste voorganger aan verbonden werd.[1] Zoo kwamen zij tot het besluit om zich te vereenigen
tot een zelfstandige Vrije Evangelische gemeente met Holleman tot
voorganger. Een en ander werkte gunstig, zoodat de arbeid zich voortdurend
uitbreidde. De gemeente nam de belijdenisschriften der Nederlandsen
Hervormde kerk aan, als uitdrukkende den zin en geest, waarin zij de
Heilige Schrift verstond, wat de hoofdpunten ter zaligheid betreft. Zij
erkende de instellingen van doop en Avondmaal, latende aan een ieder de
vrijheid, daarover zulke meeningen te hebben, als hij dacht overeenkomstig
Gods Woord te zijn.[2] Zij nam dus evenzeer als hare leden aan, geloovigen die
den kinderdoop voorstonden als hen die zich als geloovigen lieten doopen.
Evenwel kwam de kinderdoop in de gemeente niet voor. Er werd driemaal per
week prediking gehouden, verder werkte men door twee Christelijke
breischolen, vijf Zondagsscholen, een Christelijke naaischool, een
Christelijke volksbibliotheek en een kinderzendelinggenootschap. De
vrienden der Provinciale Friesche Vereeniging, die zich in den beginne
meegaande hadden betoond, wilden nu van geen samenwerking meer weten. Toen
bidstonden voor Israël georganiseerd werden [196] en Ds.
Witteveen van Ermelo optrad, kwamen de waarheidsvrienden niet onder zijn
gehoor. Er
heerschte in die dagen een ware honger naar de rechtzinnige
evangelieprediking. Al werd zij door geringe krachten voortgebracht, zij
vond overal ontvankelijke harten. Holleman reisde dan ook met rusteloozen
ijver de Friesche steden en dorpen af om het zaad des Evangelies uit te
strooien. Hij gevoelde echter al spoedig behoefte aan hulp en zoo rijpte
in hem het plan, om evenals zijn leermeester de Liefde een
evangelistenschool in het leven te roepen. Hij vond steun bij de
Amsterdamsche patriciërs, die met den geest van het Réveil waren
bezield, en zelfs uit het Wupperdal werden hem bijdragen gezonden. Vlak
tegenover de Galileërkerk in Droevendal stond het huis van Holleman, dat
voor opleidingsschool werd ingericht. Het was zijn persoonlijk eigendom en
hij gaf het den naam van “Klein Bethanie.” Door aankoop van een
leerlooierij achter de zaal op de Vijversbuurt, kreeg de gemeente een
ruimere “kapel.” Verscheidene
jongelieden ontvingen in “Klein Bethanie” hun opleiding[3]
en eenigen hunner zouden later een niet onbelangrijke plaats innemen in de
Baptistengemeenten van Nederland. Hun levenswijze was zeer eenvoudig. Zij
bewerkten zelf den tuin, waarin de noodige groenten werden gekweekt; zij
spreidden hun eigen leger; zij verrichtten ieder op zijn beurt het
custoswerk. Zij hadden een leerkamer met z'n vieren en ontvingen les in
Nederlandsche taal, aardrijkskunde, uitlegkunde des Bijbels, een weinig
Grieksch en Latijn. Verder werden zij voortdurend belast niet
colportagewerk in de omliggende plaatsen. Een aan overmoed grenzende ijver
kenmerkte zoowel den leermeester als de leerlingen. Holleman verkocht aan
een Roomsche vrouw te Leeuwarden een Nieuw Testament. Haar later weer
bezoekende, gaf zij [197] te kennen, dat de pastoor het
haar ontrukt en voor haar oogen in het vuur geworpen had. Hij gaf haar een
ander en begaf zich naar den pastoor, die hem in zijn studeerkamer te
woord stond. Hij eischte van hem rekenschap over het verbranden van den
bijbel. De pastoor beet ook van zich af en wees hem eindelijk de deur.
Holleman zou echter nog een slag slaan. In den gang gekomen, om door de
dienstbode uitgelaten te worden, poogde hij haar een Nieuw Testament te
verkoopen. Op haar vraag of het Ave Maria er in stond, las hij haar uit
Lucas 1 den groet des engels voor. “Of de mis er dan wel in stond?”
Hij sloeg Matth. 26 op en las de instelling des Heiligen Avondmaals voor.
Toen haalde zij haar beursje voor den dag om den prijs te betalen, maar op
eens bulderde een stem uit de studeerkamer: “laat dien ketter de deur
uit!” Holleman
opende op de Leeuwarder kermis een bijbelkraam, waaraan kaarten met
duidelijk leesbare bijbelspreuken bevestigd waren en waar bijbels en
godsdienstige werken stonden uitgestald. Zijn leerling Horn had acht dagen
tevoren ten stadshuize een patent en een standplaats aangevraagd.
Bij de verloting der plaatsen was echter gebleken, dat wegens een zekere
informaliteit de bijbelkraam niet werd toegelaten. Horn kwam nu op de
gedachte, zich met zijn vriend de Hart als bedienden te verhuren bij een
koopman in oude boeken. Deze pakte op hun verzoek zijn minder geschikte
boeken in, nam van hen een partij bijbels en tractaten in commissie en
liet bij den controleur zijn patent, wegens twee bedienden, verhoogen. Zoo
stonden zij den tweeden kermisdag met de bijbelkraam en haar vijf
uithangborden te midden van de woelende kermismenigte, predikende en
tractaten uitreikende. De politiecommissaris maakte echter procesverbaal
op, inhoudende de beschuldiging, dat Horn op de kermis een plaats had
ingenomen, die hem niet was aangewezen. De zaak kwam voor den
kantonrechter. Holleman trad als getuige op, en het vonnis luidde: “vier
en twintig uur gevangenisstraf of vijf gulden boete. Horn ver-[198]-koos
met vreugde het eerste, daar hem nu de gelegenheid werd geschonken het
Evangelie in de gevangenis te brengen. En hij heeft die gelegenheid
aangegrepen ook. Des
Zondagsmorgens, 24 Januari 1868, werd godsdienstoefening voor een vijftig
gevangenen gehouden, waaronder ook Horn. De catechiseermeester hield een
koude zedepreek over 1 Corinthe XV:33 “Kwade samensprekingen verderven
goede zeden.” Na afloop daarvan vroeg Horn het woord, hetgeen hem werd
geweigerd. Toch vermeette hij zich een kwartier lang de armoede van het
gehoorde en den rijkdom van het Evangelie der schuldvergiffenis in het
licht te stellen, niettegenstaande de bewaarders en de commandant hem het
trachtten te beletten.[4] Een
jeugdig lid van Holleman's gemeente, Franciscus Johannes van Meerloo,
geboren te Leeuwarden 23 October 1842 en tot op zestienjarigen leeftijd
werkzaam als klerk op een notariskantoor, ontving ook van den voorganger
eenige opleiding voor het evangelisatiewerk. In zijn studietijd maakte hij
reeds colportagereizen. In 1864 wijdde hij zich te Sneek aan den dienst
des Evangelies. Hij ging de menschen in hunne woningen opzoeken en
uitnoodigen om des Zondags te komen onder zijn prediking in de herbergzaal
van Harmen de Groot op de Wip en hunne kinderen naar de Zondagsschool te
zenden. Toen de opkomst wat bevredigend werd, trachtte hij een
zendingsvereeniging in het leven te roepen en verzocht daartoe eenige
vrienden om een avond met elkander over deze zaak te spreken. Vijftien
personen verschenen ter vergadering en daaruit werd een voorloopig bestuur
gekozen. De eerste vergadering had plaats den 8sten Februari 1862.[5]
Zestig menschen [199]
kwamen
bijeen, waarvan de meesten zich aanmeldden voor het lidmaatschap. Verblijd
over dit goede begin, noemde men de vereeniging “het Mosterdzaadje”,
in de hoop dat het tot een grooten boom mocht groeien en veel vrucht
dragen tot uitbreiding van Gods Koninkrijk onder de heidenen.[6] Hoewel
het niet tot gemeentestichting kwam, werd toch op vaste tijden door de
evangelisatievrienden het Heilig Avondmaal gevierd. Toen de Groot de
herberg verkocht, richtte een der broeders, Auke Kroon, boven zijn
timmerwinkel in de Scharnesteeg een vergaderkamer in, die hij aan den
evangelisatiekring verhuurde. In
1869 ontving van Meerloo een beroep als voorganger der Vrije Evangelische
gemeente te Amsterdam, dat door hem werd aangenomen. Hij deed er den 1sten
Juli zijn intrede. Ofschoon hij met zegen arbeidde, ging de gemeente toch
weinig vooruit. De toestanden in de Ned. Hervormde kerk waren zoo geheel
anders geworden. De moderne richting had haar grootste triomfen gevierd,
de orthodoxie won hand over hand veld, de menigte zag niet meer zoo het
verschil tusschen de kerk en de Vrije Evangelische gemeente. Het beginsel:
“geen ingang in de gemeente dan door den doop der geloovigen,” dat in
de Vrije Evangelische gemeente wel in theorie gehuldigd, maar niet tot
volle practische uitvoering kwam, viel niet in den smaak. “Tecum Habita”,
de plaats van samenkomst, werd andermaal wegens te hooge huur verlaten en
een' bovenzaal der bewaarschool van “Heil des Volks” in de
Willemstraat betrokken. Daar de zaken niet voorspoedig gingen, gaf men
kwansuis den voorganger te kennen, dat men hem niet meer kon bezoldigen.
Maar toen van Meerloo aanbood om dan gratis dienst te doen, weigerden zij
dit aan te nemen, tevens besluitende tot ontbinover te gaan. Een deel ging
echter met hem mede en vergaderde geregeld ten zijnen huize. [200]
Omstreeks
dien tijd richtte de Vrije Evangelische gemeente te 's-Gravenhage, die
door het vertrek van haren voorganger Overduin vakant geworden was, een
verzoek tot van Meerloo om ook haar te dienen. Hij nam dit aan en men kwam
overeen, dat des Zondagsmorgens te Amsterdam en des Zondagsavonds te
's-Gravenhage dienst zou worden gehouden. Dit duurde een paar jaar, totdat
van Meerloo om gezondheidsredenen slechts om de veertien dagen naar den
Haag ging, hetgeen hij nog geruimen tijd volhield, maar eindelijk moest
opgeven. Ook de samenkomsten ten zijnen huize wilde men niet bestendigen,
daar die arbeid te locaal was en niet genoeg naar buiten werkte. Er werd
daarom op de Rozengracht no. 166 een bovenhuis gehuurd, dat door
wegbreking der muren in een lokaaltje werd herschapen, waar ongeveer
honderd personen een zitplaats konden vinden. De behoefte aan
gemeentelijke samenbinding en meerdere organisatie liet zich nu ook
sterker gevoelen, hetgeen 30 Augustus 1881 leidde tot stichting der
Evangelisch Vrije gemeente, aanvankelijk met een getal van drie en twintig
leden, dat langzamerhand tot vier en dertig klom.[7] Reeds
lang had bij van Meerloo de gedachte post gevat om den doop der geloovigen,
die in theorie zoowel in de Amsterdamsche als in de Haagsche gemeente
gehuldigd werd, ook in de praktijk door te voeren. Toen hij dit punt ter
sprake bracht, vond het bij onderscheidene leden onmiddellijk weerklank en
werd dienovereenkomstig besloten. Het lokaal op de Rozengracht werd
verrijkt met een doopvont en de eerste die daarin afdaalde om het waterbad
te ontvangen was van Meerloo zelf, die 9 Augustus 1883 door J. de Hart van
Hengelo werd gedoopt. Nog dienzelfden avond doopte van Meerloo den
ouderling N. Zerbst en twee zusters. Bij deze plechtigheid waren de leden
der Baptistengemeente in een officieel schrijven uitgenoodigd tot
“bevestiging en opbouwing van het gemeene geloof en tot [201]
vermeerdering
der liefde jegens den Heer en jegens elkander.”[8] Velen, waaronder hun voorganger, de
oud-koopvaardijkapitein H. Reeders,[9]
gaven aan die uitnoodiging gehoor. Gedurende eenigen tijd werden daarna
elke week vier personen gedoopt, eerst van de Amsterdamsche Evangelisch
Vrije gemeente, daarna van de Haagsche, daar deze geen doopvont bezat. In
beide gemeenten waren echter, die, hoewel den kinderdoop als onbijbelsch
verwerpende, toch niet tot den doop der geloovigen konden besluiten.
Volgens den ouden regel, dien ook door Kloekers in Sneek was aangeraden,
wilde men deze leden bij wijze van overgangsmaatregel nog dragen en tot
het Heilig Avondmaal toelaten, maar voor 't vervolg geen nieuwe zonder den
doop der geloovigen aannemen. Toch was juist die maatregel oorzaak dat een
poging, door de Evangelisch Vrije gemeente in September 1883 aangewend om
zich met de Baptistengemeente te vereenigen, schipbreuk leed. Reeders die
onverbiddelijk stond op het punt van gesloten Avondmaal, schreef
onomwonden:[10]
“de gemeente durft niet handelen in strijd met den heiligen wil en de
bedoeling des Heeren door samen te wonen en in gemeenschap te zijn met
hen, die niet willig zijn te gehoorzamen aan 's Heeren gebod. Zij meent,
dat er nergens sprake is in de Schrift van Avondmaal-houden met ongedoopte
Christenen en dat haar naam als van zelve te kennen geeft, dat er geen
sprake kan zijn van met ongedoopte Christenen zich te vermengen. Zij hoopt
echter en verwacht van den Heer, dat weldra ook uwe oogen daarvoor geopend
mogen worden en daardoor de belemmering moge wegvallen, die de gewenschte
vereeniging verhindert.” Hoewel
het de Baptistengemeente aan een lokaal en mitsdien aan openbare prediking
ontbrak, breidde zij zich gestadig uit. In een groote kamer van een der
broederen, die [202] in de Vijzelstraat woonde, werden
onderlinge samenkomsten gehouden, waarin een liefelijk gemeentelijk leven
openbaar werd.[11]
De doopcandidaten werden in dien tijd verwezen naar Sneek. Toen Reeders
ophield met varen kwam men des Zondagsmorgens ten zijnen huize samen in de
Gerard Doustraat no. 164, des Zondagsavonds in de Vijzelstraat, later bij
verschillende broeders. Den 4den December 1888 verkreeg de gemeente, die
uit 42 leden bestond, rechtspersoonlijkheid en had zij haar vergadering
des Zondagsmorgens in de Frans Halsstraat no. 83 en 's avonds bij Reeders
Den 3den Maart 1889 nam zij voor openbare prediking een schoollokaal in
gebruik, Quellijnstraat no. 23, waar ongeveer honderd personen plaats
konden vinden, doch zonder doopvont.[12] In
1889 ontstond er onder hen, die op het nauwst aan elkander verbonden
waren, een hevige verbittering, die uitliep op verwijdering en scheiding.
Naar aanleiding van den strijd tegen het alcoholisme, die in de Groninger
veenkoloniën gevoerd werd, drong een der leden aan op verplichte
geheelonthouding. De zaak der geheelonthouding werd toen aan de hand der
Heilige Schrift onderzocht. Een deel zag nu het beginsel der
geheelonthouding, in nog helderder licht en ijverde vurig voor aansluiting
bij de Christen Nationale Geheelonthoudersvereeniging. Een ander deel,
waaronder Reeders, zag in de beweging een aanranden der Christelijke
vrijheid en een “menschenvond.” Van beide zijden woedde de strijd met
zulk eene hevigheid dat alle toegeeflijkheid was uitgesloten.[13]
Reeders wenschte geen leden der Chr. Nat. Geheelonthoudersvereeniging in
het midden der gemeente. Zij werden dan ook op zijn voorstel afgesneden.
“Ik weet”, [203]
schreef
hij[14],
dat ik zoo goed als alleen sta, maar ik kan niet anders. Ik blijf mijn
beginsel getrouw, al moet ik alleen blijven staan; ik zou mij anders
tegenover God bezondigen en hoe lief ik de gemeente heb en alles voor haar
heb veil gehad, mijn beginsel verloochenen mag ik niet. Wat er gebeure,
hetzij scheiding of scheuring, het komt voor rekening van hen die den
menschenvond in de gemeente hebben ingevoerd; dat zal ik steeds getuigen,
zoo hier als voor den troon van God, want de geheelonthoudersvereeniging
is een menschenvond, dus niet uit God. Ik ben er niet tegen, dat iemand
zich onthoudt van iets, dat mij vrij staat te gebruiken, maar ik ben tegen
het lidmaatschap van die vereeniging in de gemeente, omdat daaruit
noodzakelijk verwijdering, verkoeling en tweedracht moeten geboren worden.
Ik wil dus geen banden aanleggen, maar verbreken wat de vrijheid in den
weg staat. Dit is niet een overhaast besluit, dag en nacht ben ik er mee
bezig gefeest en God weet, dat ik het alleen uit ware liefde voor de
gemeente doe. Moet ik in den strijd ondergaan, ook goed, maar mijn devies
is “ce-do nulli”, als het om de waarheid te doen is, en ik ben mij
bewust, dat de waarheid mij liever is dan het leven.” Van
toenadering was derhalve geen sprake. In het voorjaar van 1891 had de
scheuring plaats, waarbij slechts een enkele aan Reeders trouw bleef. Het
meerendeel wendde zich nu tot de Evangelisch Vrije gemeente met de
uitnoodiging om te trachten naar vereeniging. En deze kwam tot stand
Woensdag 17 April 1891.[15]
De Evangelisch Vrije ge-[204]-meente
oordeelde toen, dat het overgangstijdperk lang genoeg geduurd had en het
gesloten Avondmaal thans eisen moest zijn. Beide gemeenten vereenigden
zich nu onder den naam “gemeente van gedoopte Christenen”, kozen Van
Meerloo tot voorganger en gingen voortaan onder zijn gehoor op in het oude
lokaal op de Rozengracht.[16]
Nog datzelfde jaar, den 3den October stierf Reeders. Met hem ging een man
heen met een helder hoofd en een scherpzinnigen blik in de H. Schrift, die
hij voortdurend onderzocht, een beslist Christen en een vrijmoedig
belijder des Heeren, die met groote toewijding en zelfopoffering de
gemeente had gediend.[17] Daar
het lokaal op de Rozengracht bedompt was en velen afschrikte, werd steeds
meer behoefte aan een betere plaats van samenkomst gevoeld. Deze kreeg men
in de Kerkstraat bij de Vijzelstraat no. 204, waar 20 Januari 1895 een
nette kapel, die voor twee honderd personen plaats bood, door Van Meerloo
werd ingewijd.[18]
De gemeente trad hiermede, na lange jaren als in een hoek verborgen te
zijn geweest, een nieuwe periode in. Zij kreeg nu gelegenheid om haar
beginselen in wijder kring bekend te maken en in haar doopvont voor aller
oogen toe te passen. Zij telde 1 Januari 1911 vijf en zeventig leden. Toen
van Meerloo in 1869 uit Sneek ging vertrekken, vroeg hij een opvolger aan
Holleman, doch deze wilde er niet van weten wegens oneenigheid met zijn
vroegeren leerling. Van Meerloo stelde nu den evangelist Groot, een
leerling van G.F. Lankamp te Enkhuizen[19]
in zijn plaats. Deze bleek [205]
echter
Irvingiaansch te zijn, zoodat de evangelisaliekring niets met hem kon
beginnen. Zijn rijk liep dan ook spoedig ten einde. Holleman liet zich nu
vermurwen om een zijner leerlingen aan Sneek af te staan, nl. Johannes
Horn, geboren te Medemblik, 6 October 1849, vroeg wees en op
zestienjarigen leeftijd tot bekeering gekomen. Holleman, die met Lankamp,
vóór zijn “apostolische” periode bevriend was, liet den 17 jarigen
jongeling ten diens huize komen om hem voor de evangeliesatieopleiding te
onderzoeken. Dit liep bevredigend af en Horn werd 19 Maart 1867 in het
zendingshuis “Klein Bethanië” opgenomen. Nog datzelfde jaar trad hij
toe als lid der Vrije Evangelische gemeente en den 18 April 1869 werd hij,
gelijktijdig met J. de Hart, door Holleman gedoopt in het doopbassin ten
zijnen huize. Daar
de ijver en vrijmoedigheid van Horn op de Leeuwarder kermis en in de
gevangenis voldoende gebleken waren, zag zijn leermeester hem met
vertrouwen de plaats van Van Meerloo innemen. En in dit vertrouwen is hij
niet beschaamd, [206]
want
voor zeer velen is zijn arbeid in Sneek en omstreken ten zegen geweest. Hij
ving zijn arbeid aan in de achter-bovenkamer boven de timmerwinkel van
Kroon,[20]
waar door de veelheid der menschen de lampen wegens de stikstof dreigden
uit te gaan. Hoe verheugde men zich, toen men Juni 1871 op het Achterom
een lokaliteit machtig werd, die eertijds was gebruikt als school, later
als drukkerij en eindelijk als ijzerpakhuis. Als plaats van samenkomst was
het echter ook hier nog hoogst primitief. In het voorgedeelte werden twee
kamers getimmerd, één voor den koster en de andere voor den ongehuwden
voorganger. Holleman hield de inwijdingsrede. Kort daarna verloor de
evangeliesatiekring een tiental leden, die zich bij de Darbistische
beweging aansloten. Daartoe gaf den stoot een zekere Anne de Vries, die te
Amsterdam als soldaat het middel was geweest tot bekeering van den
Terschellinger korporaal Hendrik G. Meijer, dien hij wegens zijn vloeken
vermaande. Meijer werd onder invloed van zijn zwager te Haarlem Darbist en
toen hij op zijn doorreis naar Terschelling te Sneek vertoefde won hij de
Vries voor zijn beginselen. Trouwens door bezoeken van Donker en H. C.
Voorhoeve Jz.[21]
uit Rotterdam waren er reeds te Sneek eenige Darbisten, doch zonder
“vergadering” te houden. Daarmede werd nu evenwel een begin gemaakt
door de aansluiting van de Vries en meerderen van den evangelisatiekring.
De samenkomsten hadden plaats bij den staaltjes-[207]-koopman
Jan Westra op de Pol. Door overlijden en andere oorzaken gingen zij na een
zestal jaren te niet. In
de prediking van Horn trad de doop der geloovigen niet op den voorgrond,
maar werd evenmin doodgezwegen. Den 12den April 1872 lieten vijf leden van
den kring zich bij Holleman aan huis doopen. De eerstvolgende
doopsbediening had plaats in eigen lokaal en werd aan vijf broeders en
vier zusters voltrokken in een zinken badkuip, die men daartoe van
Holleman leende. Gedurende zes jaar had nu geen doop meer plaats. Een
bezoek van H.Z. Kloekers van Nieuwe Pekela in het najaar van 1879 bracht
evenwel verandering. Hij stelde het zuiver Baptistische beginsel van het
gemeentewezen met gesloten Avondmaal scherp in het licht. Hij vergeleek
hen, die in dezen kring den doop der geloovigen nog niet hadden ontvangen,
bij kostgangers, die tijdelijk in huis geduld werden, maar wie voortaan
binnengelaten zou willen worden, moest zonder feil aan den eisch des doops
voldoen. Door dit betoog kwamen velen tot overtuiging, zoodat nog
datzelfde jaar twaalf en het volgende jaar zeven personen werden gedoopt.
Nu ging men ook tot stichting der gemeente over, die uit 42 gedoopte leden
bestond. Den 13den September 1880 had de eerste gemeentevergadering
plaats, waarin het verlangen naar een ouderling en een bestuur werd
uitgesproken. Op voorstel van den voorganger trad als secretaris op
Wijbren Wielinga.[22]
Was vroeger het H. Avondmaal meer aan de vrije begeerte der broeders en
zusters overgelaten, den 31sten October 1880 werd besloten het op vaste
tijden, nl. om de vier weken te houden. Den 7den Januari werd de
veerschipper op Franeker Sietse Gorter, geboren te Grouw, als ouderling
gekozen, welk ambt hij tot heden onafgebroken heeft vervuld. Horn,
die te Sneek alle wateren afvischte, evangeliseerde bovendien, gedurende
de eerste jaren, in de Christelijke school [208]
te
Hommerts,[23] te Oppenhuizen in de kamer van Geert de Boer,[24]
en te Grouw een gansche winter om de veertien dagen in een herberg. Ook
ging hij prediken te Workum, te Bolsward en in het Heidenschap. Den
5den Maart 1882 werd in het lokaaltje op het Achterom een nieuwe doopvont
van twee Meter lang en één Meter breed met houten trap in gebruik
genomen bij den doop van Wilhelmina Stargard, die te Amsterdam belijdenis
had gedaan. Den 25sten Juni 1882 trad als penningmeester op Johannes de
Vries, een voorbeeldig Christen die 6 Februari 1884 aan de gemeente door
den dood ontviel. Inmiddels
had het ledental een sterken aanwas ondergaan. Het wijst voor 1881 op den
doop van 39, voor 1882 op dien van 38 nieuwe leden. Dit was de vrucht van
een opwekking, die zich niet enkel beperkte tot Sneek maar doorwerkte in
Heeg en het Workummer Heidenschap, waar Horn ook evangeliseerde. Hij hield
den 24sten Februari 1881 te Sneek een namiddag- en avondsamenkomst “tot
opwekking van geestelijk leven.”[25]
Kapitein van Bart te Breda en M. Mooij, voorganger der Vrije Evangelische
gemeente te Franeker, waren overgekomen “om mede te getuigen van het
eeuwige leven.” Vier avonden van te voren hadden de broeders zich met
het oog op die samenkomst afgezonderd tot gebed. Aangaande Heeg schreef
Horn eenige maanden later: “de zegen is overstelpend groot; de herbergen
zijn letterlijk ontvolkt.”[26]
Menige “opgewekte” verkeerde in hevigen zielestrijd om zich [209]
los te
maken van de kerk, vooral in een plaats als Heeg, van ouds een bolwerk der
Dortsche rechtzinnigheid, waar predikanten als A. Becking, J.J. Knap en W.
Felix hadden gearbeid. Tot de eerste vijf gedoopten van Heeg behoorde ook
de bejaarde Wibbe Jonkmans, die in den beginne Horn nauwelijks kon dragen
op het punt van kerk en doop, maar die eenigen tijd later, bij een bezoek,
hem schreiend een brief overhandigde, dien hij juist voor de gemeente te
Sneek bestemd had. Deze was van den volgenden inhoud: “Aan
mijne heiligen en beminden in den Heer. De genade zij met u. God de Heere,
Wiens ik ben en Wien ik diene in mijnen geest, die mijne haren geteld
heeft en mij bewaren zal voor Zijn hemelsch koninkrijk, heeft mij geboden
Zijnen wil te doen, die mijn ziel met blijdschap aanvaardt. Uw volk is
mijn volk en uw God is mijn God; ik behoor bij u; ik moet gedoopt worden.
Amen. Vrijdag.
Van den Heer ontvangen: En zij deden niet alleen gelijk wij gehoopt
hadden, maar zij gaven zich zelven eerst aan den Heer en daarna aan ons.
Zaterdag: (Bij overdenking van het Avondmaal in de groote kerk): Wat zoekt
gij den Levende bij de dooden? Zondag: De Booze overwonnen. Maandag: Zeer
aangenaam beslist. Dinsdag: Zeer vroolijk. Donderdag: De kerk beschouwd
als het schip uit Hand. XXVII, door den Geest Gods toegepast op onze kerk
en hoe men op God moet hopen en aan land moet zien te komen. En dat land
is uw gemeente, welke door de poorten der hel niet zal worden overweldigd,
maar wel bestreden. Amen. Jezus het laatste woord. Hij is de Omega.” Zondags
daarop werd hij met nog vier broeders te Sneek gedoopt. In
October 1883 constitueerde Heeg zich met goedvinden van de moedergemeente
tot een zelfstandige gemeente met 23 leden, Horn als voorganger en W.
Jonkmans, J. de Vries en P. Verbeek als bestuursleden. Zij zag zich
terstond een ruim arbeidsveld geopend onder de polderwerkers, die hun
keten bij Outlega hadden opgeslagen. Des Zondagsmorgens [210]
trok tijdig een tiental broeders derwaarts, bezocht de keten, hield
toespraken, zong Sankeyliederen, bad en deelde tractaten uit. Den
27sten December 1883 mocht de gemeente haar nieuwe Silokapel den Heer
wijden. Ook
buiten de provincie, gelijk in het volgend hoofdstuk nader zal blijken,
strekte Horn zijn arbeid uit. Vooral was hij meermalen werkzaam onder
eenige broeders en zusters te Hoorn en Berkhout, die sedert 1880 dorstten
naar gemeentelijk leven en daarover meermalen met elkander spraken. Twee
hunner mogen hier niet onvermeld blijven, nl. Z. Groet te Berkhout en D.
van Velden te Hoorn, ten wiens huize vele jaren de onderlinge
vergaderingen plaats hadden en die nog steeds als voorganger en secretaris
dienst doen. Vooral door Horn's optreden werd het dezen kleinen kring
duidelijk, “dat de orde Gods in Zijn Woord voor den zondaar is: door het
Evangelie tot het geloof; door het geloof tot den doop; door den doop tot
de gemeente en in de gemeente de gemeenschap der heiligen door doop en
Avondmaal.”[27]
Toen een paar van hen besloten zich te laten doopen, schreven zij Horn.
Deze stelde voor naar Sneek te komen; kon dat echter niet, dan wilde hij
beproeven of de doop ook kon plaats vinden te Amsterdam, waar van Meerloo
en zijn Evangelisch Vrije Gemeente eenige weken geleden tot de
“gehoorzaamheid des doops” gekomen waren. Daar ging het echter
moeilijk. Zoo had de doop plaats te Berkhout ten huize van broeder Groet,
in tegenwoordigheid van Kloekers en Horn. 't Was een gewichtige, ure, toen
acht broeders en drie zusters na toespraak, gebed en lied gedoopt werden
en men daarna tot gemeentestichting overging (23 September 1883).[28] Dienzelfden
zomer, 6 Juni 1883, wijdde Horn in eigen gemeente de “Vredekerk” aan
den Oppenhuizerweg in. Daar [211] men zijn volgelingen
“Horrianen” noemde, vreesde hij dat men de nieuwe kerk Hornskerk zou
noemen. Dit deed hem besluiten op den gevel den tekst aan te brengen:
“Vrede door het bloed des kruises” en de kerk “Vredekerk” te
noemen. Spurgeon zond voor den bouw een som van tien pond sterling, die
bestemd werd voor een ijzeren hek. Na
een gezegenden arbeid van 21 jaar, waardoor zijn naam tot op den huldigen
dag aan Sneek verbonden is gebleven, vertrok Horn in Mei 1890 naar
Groningen. Hij
werd opgevolgd door J. de Hart, die 31 Augustus 1890 als voorganger der
Sneeker gemeente optrad. Deze was een Enkhuizer van geboorte, ging ter
catechisatie bij een modern predikant, doch kwam onder invloed van de
evangelieprediking in Lankamp's evangelisatie tot bekeering. Op 18 jarigen
leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en vertrok naar Utrecht, waar hij
lid werd van de jongelingsvereeniging en meehielp aan de Zondagschool van
Jhr. A. M.C. van Asch van Wijck. In vrije avonden hield hij somwijlen een
bijbellezing in Utrecht's achterbuurten. Zoo werd hij gevormd voor de taak
van evangelist, die hem wachtte. Toen hij, naar zijn geboorteplaats
teruggekeerd, op den dag der loting voor den militairen dienst, ten huize
van Lankamp, K. Holleman van Leeuwarden ontmoette, gaf hij dezen de
begeerte te kennen zich aan den dienst des Evangelies te willen wijden.
Hij werd nu kweekeling-evangelist in “Klein Bethanie”, waar hij van 15
April 1867 tot 1 November 1869 vertoefde.[29]
Bundels tractaten heeft hij in die periode verspreid op kermissen en langs
de huizen nu hier, dan daar. Daar Holleman eertijds in Twente had geëvangeliseerd,
viel het oog op dit arbeidsveld. Horn ging eerst poolshoogte nemen, de
Hart nam tijdelijk diens werk te Sneek waar en niet lang daarna werd
Hengelo tot post van evangelisatie bestemd. Daar heeft de Hart bijna 21
jaar met veel vrucht [212] gearbeid. Het was in den
waren zin van het woord pionierswerk. De weinige rechtzinnigen, hetzij
Hervormd, hetzij Gereformeerd, gingen onder zijn gehoor op. Het
oud-Kamerlid J. van Alphen hielp mee om hem een lokaal te bezorgen. Van 31
October 1871 tot 22 Mei 1879 bleef men evangelisatiekring, naar de
beginselen der Vrije Evangelische gemeenten. Alleen geloovigen werden
gedoopt, doch ook met hen, die als kind den doop hadden ontvangen, vierde
men het H. Avondmaal. Evenals te Sneek bracht een bezoek van Kloekers
daarin verandering. Zijn scherp belijnd Baptistisch beginsel gaf op
Hemelvaartsdag 1879 den stoot tot stichting eener Baptistengemeente, die 5
Januari 1882 rechtspersoonlijkheid verkreeg. Ook
in de omliggende plaatsen zooals Delden, Borne en Oldenzaal strooide de
Hart het zaad des Evangelies uit en veel van dezen arbeid is aan de
Hervormde en Gereformeerde kerk ten goede gekomen. Na bijna zes jaar
voorganger te zijn geweest in Sneek, vertrok hij 1 Juni 1896 naar Paterson,
New Yersey, in Noord Amerika. Wegens het klimaat keerde hij naar het
vaderland terug, daar Hengelo hem opnieuw beriep. Den 26sten Mei 1901
verbond hij zich weer aan zijn oude gemeente, waar hij tot aan zijn dood,
23 Juli 1912 is werkzaam geweest. De
Baptistengemeente, die verder uit den arbeid der Vrije Evangelische
gemeente te Leeuwarden onder leiding van K. Holleman voortsproot, is
Haulerwijk.[30]
Het was in 1864, toen het huisgezin van J. Plet en van G. de Vries uit
Leeuwarden naar deze kleine afgelegen veenkolonie verhuisde. Beide mannen
hadden reeds getoond alles over te hebben voor den dienst des Evangelies.[31]
Zij vonden het in hun [213] nieuwe woonplaats geestelijk
doodsch en het was hun een prikkel om terstond met eenigen arbeid te
beginnen, nl. een Zondagschool voor de kinderen, toen volgde een
bijbellezing voor ouderen en dit eenvoudige werk werd gezegend, zoodat
eenigen tot bekeering kwamen. Reeds
in 1867 kon er een Vrije Evangelische gemeente gesticht worden, die Juni
1868 den evangelist de Groot tot voorganger en J. Plet en G. de Vries tot
ouderlingen verkoos. Slechts
één jaar bleef de Groot hier werkzaam en vertrok toen naar Enkhuizen. Nu
werden de samenkomsten geleid door Plet als oudste ouderling, maar zijn
eigenaardige wijze van spreken, mede een gevolg van zijn doofheid, bracht
de gemeente in moeilijkheden, zoodat hij zijn bediening neerlegde en zich,
bij de Christelijk Gereformeerden voegde. In dien tijd kwam metterwoon van
Oldernarkt een lid der Vrije Evangelische Gemeente te Zuidveen, genaamd de
Bock. Daar het hem niet aan spreekgaven ontbrak, trad hij van tijd tot
tijd voor de gemeente op. Ook had men het geluk, met behulp van broeders
in andere gemeenten, een lokaaltje voor tachtig menschen te kunnen bouwen.
De Bock legde den eersten steen en zijn initiaalletters werden in den
gevel gegrift, waardoor het gebouwtje in den volksmond den naam van
“bokkehok” ontving. Door het vertrek van de Bock, die in 1876 naar
Leeuwarden verhuisde, geraakte de gemeente weer in moeilijkheid, vooral
met het oog op den zich uitbreidenden arbeid. Nu
viel de aandacht op een jeugdigen evangelist, die niet lang geleden een
zelfstandigen, geheel vrijen arbeid was begonnen te Oldelamer c.a. Hij
heette Nicolaas van Beek, geboren 16 Februari 1850 te Wolfaartsdijk in
Zeeland, de oudste zoon van het drietal kinderen, waarmede het huwelijk
was gezegend van Hendrik van Beek en zijn vrouw [214]
Suzanna de Tafenier. Vader Van Beek was een vurig aanhanger van Ds.
Budding en reeds op zeer jeugdigen leeftijd moest de jeugdige Nicolaas des
Zondags naar Goes om den vermaarden prediker te hooren. Deze gevoelde zich
zeer tot den jongen aangetrokken en nam hem dan ook onder zijn bijzondere
hoede. Als zesjarige knaap zat hij menig uur met zijn makker, den nu reeds
ontslapen Ds. N. de Jonge, aan Budding's voeten naar het woord des
leermeesters te luisteren. Reeds vroeg moest hij zijn ouders missen, doch
ook kende hij reeds vroeg den weg des heils als een levende weg. Bij zijn
oom te Oud-Sabbinge bij Wolfaartsdijk vond hij een thuis, waar hard werken
de boodschap was, maar waar hij nooit zijn doel uit het oog verloor:
arbeider te worden in 's Heeren wijngaard. Hij begon met het oprichten van
een jongelingsvereeniging in zijn dorp, geholpen door Daniël Musse, die
later zijn zwager zou worden. Een aanbod van den Hervormden predikant, met
wien hij vaak in aanraking kwam, voor zijn opleiding te zullen zorgen,
indien hij Hervormd werd, sloeg hij af. Het beginsel der vrije gemeenten
had reeds te diep wortel geschoten in zijn gemoed. Wat hij zocht, vond hij
te Zuidveen bij den voorganger der Vrije Evangelische gemeente, D. de
Gilde, die hem gedurende bijna vijf jaar onder zijn leiding nam en hem
zoowel theoretisch als praktisch voor den Evangeliearbeid bekwaamde. Na
voleindigde studie werd hem Oldelamer in Weststellingwerf als arbeidsveld
aangewezen, waar hij 2 Juni 1876 door zijn vaderlijken leermeester met
oplegging der handen tot den dienst des Evangelies gewijd en in het midden
der gemeente door den echt verbonden werd aan de zuster van zijn vriend
Musse. Acht maanden heeft hij aldaar het zaad des Evangelies in den harden
bodem uitgestrooid. Te Scherpenzeel predikte hij in een herbergzaal voor
een groote menigte menschen. Vruchten van geloof en bekeering werden
echter niet openbaar. De roepstem uit Haulerwijk om als voorganger der
Vrije Evangelische gemeente aldaar te komen arbeiden, sloeg hij dan ook
niet af. Den 28sten Januari 1877 [215] leidde de Gilde
hem tot zijn dienstwerk in. Met grooten ijver toog hij aan den arbeid niet
alleen in eigen gemeente maar op verschillende plaatsen in den omtrek
zooals Donkerbroek, Driemunt, Kornhorn en Opende. In laatstgenoemde
plaats, gelegen op Groningsen grondgebied, in de zoogenaamde “Parken”,
ontstond een kleine kring geloovigen, die in 1900 een ledental van
vijftien bereikte en den 15en Oct. van dat jaar een eigen lokaaltje
verkreeg. Intusschen liet zich bij het onderricht van nieuw-bekeerden de doopvraag gelden. Theoretisch werd de doop der geloovigen voorgestaan, maar de praktische toepassing bleef nog achterwege. Twee jonge broeders, die een doopsbediening der Baptisten in den Weerdingermond hadden bijgewoond, waren overtuigd geworden, dat de doop door onderdompeling, op belijdenis, alleen bijbelsch was. Deze zaak werd in de gemeente besproken en slechts; door enkelen bestreden. Nu werd besloten een doopvont te maken, ieder die begeerte er toe gevoelde te doopen, de anderen niet uit te sluiten van het H. Avondmaal, maar geen nieuwelingen zonder doop der geloovigen toe te laten. Zoo werden de eerste zes broeders, waaronder Van Beek, gedoopt en weldra volgden de anderen. Vooral het optreden van H. Kruit uit Stadskanaal, die aan de gemeente een bezoek bracht, werkte daartoe mede. Kruit won door zijn minzaamheid en vooral door het aangrijpend woord, dat hij des avonds in de “kapel” sprak, aller hart. Hij repte weinig van den doop, maar sprak over de gerechtigheid van het Koininkrijk Gods op zulk een wijze dat het vele vooroordeel en tegen het Baptisme opruimde en tot aller doop leidde.[32] Toen Van Beek in November 1881 naar Groningen vertrok, oordeelde men broeder G. de Vries de aangewezen man te zijn om hem op te volgen. Hoevele bezwaren daar ook tegen waren, hij stemde toe en gaf zich aan de gemeente. En hij is haar voorganger gebleven met onbezweken [216] trouw tot voor korten tijd, hoewel hij 78 jaren telt. Wegens de eigenaardige maatschappelijke toestanden is Haulerwijk niet een groote gemeente geworden. Vele jonge broeders en zusters werden genoodzaakt hun brood elders te zoeken. Zij telde in 1880 dertig, in 1899 twee en dertig en in 1912 negen en veertig leden. Toch zijn van haar verscheidene broeders uitgegaan, die nu in andere gemeenten een belangrijke plaats bekleeden. Haar voorganger is thans K. Kuipers. [1] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1856, bl. 373 v.v., 1957, bl. 506 v.v. [2] Zie Grondslag van Vereeniging der Vrije Evang. gemeente te Leeuwarden, z.j. [3] O.a. A. Berlijn, later evangelist van “Heil des Volks” te Zalt-Bommel, J. Horn, J. de Hart, D. de Gilde later te Zuidveen, P. van den Hoek, A. de Raadt (later Darbist), Hondius en Kroon. [4]
Dit
is ontleend aan een opstel van J. Horn “een dag in de gevangenis”
in „De Volksbode”, weekblad voor Nederland, 3 April 1869,
uitgegeven bij W.J. Kat te Haarlem. [5]
Het
bestuur was F.J. van Meerloo, praeses, L. Bakker, vice-praeses, J.S.
van der Meulen, secretaris, A. Kroon, Abe Visser, penningmeester en
Jozef Simons. [6]
Deze
vereeniging bestaat nog en W.J. Wielenga is 37 jaar lang haar
secretaris geweest. Zie “De Christen” 22 Maart 1911. [7]
Ouderlingen
waren N. Zerbst en T.W. Willems. [8]
Schrijven van 5 Aug. 1883, geteekend door N. Zerbst. [9] Geb.
1842, overl. 3 Oct.
1891. [10]
Schrijven van 1 Oct. 1883. [11]
Bericht in “De Christen” van Juli 1882. [12]
Deze bevond zich bij Reeders aan huis. [13]
Dezelfde
strijd is terzelfder tijd gevoerd in de gemeente Haarlem, waar ook het
besluit werd genomen om geen leden op te nemen, welke aangesloten
waren bij de C.N.G.O.V. Zie “De Christen” van 26 Febr. 1891. [14]
Brief van 27 Nov. 1890 aan J. Horn. [15]
Op
1 Nov. 1891 werd de gemeente Amsterdam officieel in de Unie opgenomen.
Na nauwgezet onderzoek der Commissie bleek haar dat de partij van
Reeders in het ongelijk was en bijgevolg niet kon erkend worden als
gemeente. Met haar werd dan ook als zoodanig gebroken, ze beschouwende
als broeders en zusters, die buiten de orde en de regelen der H.
Schrift zich gedroegen, door zich niet bij de gemeenten aan te
sluiten. Ditzelfde gold ook voor Haarlem. Zie jaarverslag der Unie
1892. [16]
“De Christen” van 23 April 1891. [17]
“De Christen” van 8 Oct. 1891. [18]
Deze kapel is nog steeds plaats van samenkomst der gemeente. [19]
G. F. Lankamp was hoofdonderwijzer der Chr. School te Enkhuizen.
Wegens de moderne prediking in de Hervormde kerk ontstond er een
bloeiende evangelisatie, waartoe o.a. de weesvader Bezaan den stoot
gaf, en waarvan Lankamp “vrije” evangelist werd. Hij was een goed
spreker, er heerschte offervaardigheid en velen kwamen tot bekeering.
In den beginne stelde men zich niet buiten de kerk, maar langzamerhand
vertoonde zich meer een anti-kerkelijke geest. Men begon het Avondmaal
onderling te vieren en Lankamp ging aan de huizen doopen. Hij geraakte
onder invloed van den “apostel van de stam Juda” Frederich Wilhelm
Schwartz te Amsterdam, die meer dan eens in de evangelisatie optrad en
zoo werd in 1869 te Enkhuizen “de gemeente der apostolische
zending” opgericht. Van nu af aan streefde Lankamp geheel in
Irvingiaansche richting. Tot de profeten dier gemeente behoorde o.a.
de hulponderwijzer Leppig, vroeger te Doetinchem. Te Ouderkerk aan den
Amstel werd de Liefde's leerling Menkhoff ook door Schwartz als
priester-evangelist gewijd. Zie Kerkelijk Weekblad, 13 Aug. 1869,
Stemmen van Waarheid en Vrede, 1808. Ook Mr. Is. Capadose, de zoon van
Dr. A. Capadose, ging tot de Irvingianen over. Hij liet in 1804 aan Mr.
Groen van Prinsterer weten: “ik ga nu naar mijn zwager te Raalte,
den Darbist, U ziet ik loop van den eenen ketter en sectaris naar den
ander.” Hij schreef: “De hoop der uitredding of eenige opmerkingen
over de tijden van den antichrist; Zijn hand is niet verkort; De
Groote verdrukking aanstaande; Een bladzijde uit de geschiedenis der
kerk van Christus”, alle verschenen te Leiden bij De Brink en Smits,
omstreeks 1868—1869. [20]
Zie bl. 199. [21]
Darbistische
geschriften in het Nederlandsch zijn: H.C. Voorhoeve Jz., “De
persoonlijke tegenwoordigheid des Heiligen Geestes op aarde”;
Gedachten over het Avondmaal des Heeren”; H.J. Lemkes, “Drie
brieven over de verhouding des Christens tot het huwelijk”,
Rotterdam, z.j. Verder van anonyme schrijvers: “Het Christendom en
de beschouwing der Moderne Theologie over de opvoeding der wereld”;
“Hoe de geloovigen in onze dagen vergaderen”; “De ijver tot
God”; “De oefenschool des geloofs”: “Waarheid en genade”;
“De Sabbath en de dag des Heeren”; alle z.j. uitgegeven te
Rotterdam bij A. v. d. Briel Gz. [22]
Deze neemt nog steeds die functie waar. [23]
Later in een herbergzaal. [24]
Zie zijn levensbeschrijving in mijn “It Fryske Réveil yn
portretten”, Sneek 1911, bl. 262—275. [25]
Een en ander is ontleend aan een rondgaand schrijven van Horn,
behelzende eenige mededeelingen aangaande de geestelijke opwekking in
Sneek en omstreken in 1881, aan de gemeenten te Klooster ter Apel,
Stadskanaal, Nieuwe Pekela, Hengelo, Haulerwijk, Groningen en Foxhol,
Haarlem, Amsterdam en Deventer. [26]
In
het tijdschrift “Het Eeuwige Leven”, jaarg. II, afl. l, 6 Mei 1881
schreef Horn: “Te Heeg stroomt op goddelijk kalme wijze de stroom
verder. Als een kind staar ik aanbiddend Gods werken aan.” [27]
“De Chrisen van 15 Oct. 1883. [28]
De gemeente te Hoorn telt thans ruim 20 leden. [29]
Hij werd gelijktijdig met Horn in Holleman's woning, 18 April 1869
gedoopt. [30]
De
gegevens omtrent de gemeente te Haulerwijk zijn ontleend aan een
opstel in “De Christen” van 23 Aug.
1906. [31]
G.
de Vries was kruidenier, maar reisde naar Knijpe en Tjallebert, sprak
in herbergzalen, had huoge kosten en kreeg centen bij de collecte. Hij
predikte o.a. te Harlingen in dezelfde localiteit, waar H. Katuin uit
Hengelo in 1900 samenkomsten hield. Toen Katuin in 1902 naar Paterson
vertrok, is zijn plaats ingenomen door den Bijbelcolporteur der Unie,
Harmsen. Later heeft als voorganger H. Visser te Bergumerheide, thans
te Sneek, de gemeente bediend. [32]
Uitgezonderd één huisgezin.
|